maandag 12 maart 2012

Soera 95: De vijgeboom

Soera 95 DE VIJGEBOOM ─ AL-TIEN

In naam van God, Genade, Goedgunstigheid

1.           Bij vijg
               en olijf
2.           bij Sinaï, steil
3.           dit veilig verblijf

4.           Wij hebben de mens geschapen in schitterende stand
5.           dan drukten wij hem tot het onderste van de onderkant

6.           behalve zij die geloven en het goede doen
               voor hen is er loon zonder eind

7.           De Tijding staat toch buiten kijf?
8.           Is God niet de wijze der wijzen?[1]


Structuur. Verschillende exegeten beschouwen vers 6 als een toevoeging van latere tijd, die de structuur van de soera stoort.
      Als we vers 6 buiten beschouwing laten, krijgen we een opbouw die formeel sterk lijkt op soera 93 en 94. Er wordt begonnen met een viervoudige bezwering in twee paren (resp. vruchten en bergen), dan is er in vers 5 een daarmee verbonden leerstellige uitspraak: de mens is geschapen als een instabiel wezen. Nadat hij in zijn volwassenheid een goede toestand heeft bereikt, gaat hij in zijn ouderdom achteruit. Hier sluit dan op aan, weer in een retorische vraag, dat het laatste oordeel niet ontkend mag worden. De vier elementen van de eedformule zijn te verdelen in een verwijzing (dus: lofprijzing) naar de scheppende God (vijg en olijf, de natuur) en de openbaring van Sinaï en Mekka. Neuwirth ziet hierin een verwijzing naar de lofprijzing van Koran 55:1-4 De Erbarmer, Hij heeft de Oplezing onderwezen, Hij heeft de mens geschapen, Hij heeft hem de verklaring onderwezen... Hier staat de scheppingsorde helemaal ingeklemd middenin de verwijzingen naar de openbaring. De twee paren van vers 4-5 en vers 7-8 wijzen erop dat vanaf zijn schepping de mens in een toestand van gebrek aan evenwicht is. Bijna in een echo van Psalm 8, groots en klein tegelijk.[2]

1-3. Raadselformule?: voor Moh. `Abduh (zoals voor alle uitleggers voor en na hem) zijn de vier termen van de eerste drie verzen het moeilijkst. In vers 1 wordt volgens hem gesproken over twee bomen die vruchten opleveren. In vers 2 over een plaats, de berg Sinaï, terwijl ook in vers 3 een plaats wordt aangeduid. Hij kent voorstellen om ook in vers 2 een boom te zien: het Arabische sinien zou dan meervoud zijn voor de sinah-boom. Waarschijnlijker acht hij een andere verklaring: de vijg moet verwijzen naar de plaats van het paradijs en de profeet Adam, die een vijgenblad nam om zijn naaktheid te bedekken. Als locatie wordt een aantal mogelijkheden genoemd, waaronder een berg-met-moskee in Damascus. De profeet Noach wordt door `Abduh gezien als de man van de olijfboom. Na de zondvloed kwam er immers een duif terug met de olijftak. Op deze manier heeft `Abduh dan de heilsgeschiedenis van de islamitische traditie in deze tekst gelezen: van Adam (vijg) naar Noach (olijf) en Mozes (Sinaï) komen we bij Mekka (dit veilig verblijf) en de openbaring aan Mohammed. De islamitische heilsgeschiedenis kent geen echte zondeval, maar wel een terugval na iedere openbaring. Na iedere profeet kwam er weer langzaam verval, totdat er een vernieuwing of reformatie werd ingezet bij een volgende. Deze dynamiek van verheffing of opstanding en verval wordt nader omschreven in vers 4-5. De mens is hoog geschapen. Het Arabische woord taqwiem komt van dezelfde wortel als het woord voor de opstanding van de laatste dag (qiyamat) en daarom is hier ook een gelijkend woord gekozen: `schitterende stand', rechtop en fier. Daarna viel de mens: de Arabische tekst gebruikt de woorden asfala saafilien, door Kramers plechtig vertaald als `laagste der lagen'.
      De Ameri­kaanse moslim Abu Mans­ur Vincent Cornell heeft een variant voorgesteld op de interpretatie van `Abduh. Hij ziet in de vijgenboom een verwijzing naar de heilige boom van de Hindoes en Boeddhis­ten. Onder een vijgenboom gezeten, kreeg de Boed­dha zijn definitieve verlichting en twijgen van die boom werden in tempels in Azië geplant op plaatsen van gebed en verering. De olijfboom verwijst naar de berg en hof bij Jeruzalem, waar Jezus zo vaak de nachten doorbracht en waar hij voor zijn proces de avond nog ging bidden. Sinaï is vanzelfsprekend de berg van Mozes. De Mekkaanse profeet Mohammed (`dit veilig verblijf' is Mekka) vinden wij in de Koran vaak in gezelschap van de grote profeten van vroeger tijden en van elders. Niet in concurrentie, maar steeds als versterking van hun en zijn boodschap.[3]
      Ik heb ooit ergens gelezen (maar weet helaas niet meer waar), dat Adam op een gegeven moment bemerkte dat hij naakt was en driftig op zoek ging naar bekleding en toen drie soorten bladeren vond, olijfblad, vijgenblad en nog iets van Mekka, waarshijnlijk dus de dadelpalm.
      Een andere en heel nuchtere interpretatie van de verzen 1-3 zou kunnen zijn, dat de eedformule alleen verwijst naar de basisvoorwaarden voor het leven in de woestijn. Veel groeit er niet, maar op de plaatsen waar wat meer en wat langer water blijft staan na de twee tot drie forse regenbuien die er per jaar vallen, kunnen vijgen, olijfbomen en dadelpalmen groeien. De verzen duiden dan in ieder geval op een positieve levensvoorwaarde. Daarop wijst ook de formule van vers 3: dit veilig verblijf is immers Mekka, dat een heilig gebied is waar stammenoorlog en gewelddaden verboden zijn.[4]

7-8. Tijding: is hier de vertaling van het Arabische dien dat zowel het komende eindoordeel als een religie kan betekenen. Zie hiervoor bij soera 82:9 en 109:9.  Hakim of `Wijze' is een van de 99 namen voor God. Ook al betekent het woord in de moderne spreektaal ook bestuurder of rechter, maar die nuance lijkt er hier niet bij te zijn. Na de inleidende raadselformule, die de hele schepping oproept, wijzen vers vers 4-8 op de dynamiek van de schepping die van leven naar dood en wederopstan­ding loopt. Het is geen echte theodicee, geen echte rationele verdediging van wat een Job-gelijke, opstandige mens aan tegenstrijdigheden in de scheppingsor­de zou kunnen verwijten. Het is eerder een beroep op het feit dat God de meest wijze is aan wie de mens zich moet toevertrouwen.


[1]Eigen vertaling.
[2]Neuwirth, `The Introductory Sections of the Makkan Suras', 12-13.
[3]Lezing tijdens de conferentie `Holy Scriptures, values and society' aan de VU te Amster­dam, 6-8 november 1995.
[4]Michael Sells, Approaching the Qur'_n, 94.

zondag 11 maart 2012

Het Gesammtkunstwerk, onder meer van 'illusionist' Kadrinaal Wim Eijk

Boeken, veel boeken dus in deze Boekenweektijd. Vorige week al twee: eerst iets over dat van Peter Raedts, De ontdekking van de Middeleeuwen. De geschiedenis van een illusie. Wij zagen Raedts eerst op TV, bij Brandt met boeken, daarna het boek zelf. Dat gaat over de verschillende beelden van een rauwe tijd (zoiets als in de film Flesh and Blood) of juist de geïdealiseerde oude tijd toen de piramide nog intact was en de kerk bovenaan scheen te staan? Dat laatste is de 19e eeuwse illusie van een sterke en gelovige christenheid. Peter Raedts ging op TV ook in op zijn jeugd, zijn fascinatie voor het Gesammtkunstwerk van de katholieke liturgie, waarin gebouw, muziek, poëtische en filosofische gedachten bijeenkomen in een mystiek ritueel waarover niet vergaderd hoeft te worden, want de teksten en de rubrieken staan toch allemaal vast. Dat ging op een gegeven moment niet meer op en toen brak voor hem het geheel ook in stukken. Heel goed invoelbaar, zo'n proces.

Dan het 2e boek: De illusie van de continuïteit is het thema van een boek De Paus en de Wereld: geschiedenis van een instituut. Samensteller Willem Lantink zit hierboven naast de nuntius André Dupuis die het boek in ontvangst wilde nemen. Bij de launching van het boek was ook aanwezig Antoine Bodard die de stelling van de grote veranderingen in het instituut aanviel: Petrus is de Rots waarop alles is gebouwd en stevig is blijven staan. Hij gaat dus de illusie voortzetten. Maar Dupuis doet het met het boek een een flesje wijn. Hij heeft er levenswijsheid en de leeftijd voor.
Aan de illusie van het katholieke Gesammtkunstwerk (waar de paus maar een onderdeel van is, zij het een stevige sleutelfiguur) moeten we steeds weer denken bij de brief die Kardinaal Wim Eijk van Utrecht schreef in deze lente. Over de Eucharistie. Het begint met de priester die naar het altaar loopt en de altaarsteen kust om daarmee 'onze Heer Jezus te begroeten' die immers de uitnodiger is. De hele Mis zit volgens Eijk vol met allerlei kleine en betekenisvolle rituelen. De werkelijke aanwezigheid in de hostie en de wijn. Daarom is biechten als zuiveringsritueel mooi en pleit hij ook voor aanbidding van de uitgesteld hostie:  het oude Lof dus. Nog steeds heimwee naar een oude tijd die niet meer terug zal keren, behalve bij een kleine groep. En de zangers, koor komen er bijna niet aan te pas: het is allemaal een sterk priester gericht en geleid gebeuren in geheel oude stijl. Aan variaties, eigen inbreng, mogelijke plaatselijke gebruiken, wordt heel weinig aandacht gegeven. De Kleine Kudde presenteert zich hier op een gesloten, maar wel vreedzame en niet-polemische manier.

Om even naar mijn eigen oorsprong terug te gaan: mijn vader was dol op kerkdiensten, koor, ook op de Thomas-uittreksels die hij op de pastorie las bij de maandagavonden in Den Bosch als Vincentiusvereniging. Naast geld geven voor de armen was er dus ook quasi-theologische scholing bij. In mijn allervroegste jeugd gingen wij in Breda, parochie van de Sacramentskerk, naar de vroege mis en in de avond naar het Lof, met uitstelling van het sacrament. We kennen het dus allemaal nog wel! Maar mijn moeder vond het maar niets al die kerkdiensten waar ze weinig van begreep. Ze ging liever haar eigen ritueel doen bij de Zoete Moeder in Den Bosch: na het inkopen op de markt even tien minuten zitten, kaars opsteken, eigen siltte en rust.

Tijdens mij Groot-Seminarie jaren kregen wij filosofie van Amandus Kockelmans, groot kenner van Aquinas, vooral de wiskunde-theorieën. Hij vond dat een goed docent zo moet doceren dat de beste student er nog bij moet afhanekn (tegenover anderen die vinden dat ook de armzaligste het nog moet begrijpen). Af en toe gaf hij speciale opdrachten. Zo moest ik een keer van hem het kleine tractaat lezen De ente et essiantia. Het zijnde is het concreet bestaande, altijd veranderende. Essentie is het wezen, onveranderlijk. De concrete mens heeft eens naam, een adres, verandert, maar 'de' mens is opgebouwd uit een aantal abstracte eigenschappen. Het boekje van Thomas begint bij God, bij wie concrete vorm en wezen gelijk zijn: de engelen hebben een deel van Gods Wezen, maar zijn toch een concrete, zij het niet-lichamelijke vorm. Ze zijn zo dus ook onderscheiden, ook al hebben ze geen tijdelijke en plaatselijke bepalingen. Zo gaat het door via mens naar dier, naar planten en dode materie. Een prachtig schematisch opgebouwd heelal, waarbij het hogere steeds de concrete vorm wordt voor het lagere. De mens is bv. animal rationale de zuivere geest is een dierenlichaam gevangen, terwijl daarboven de engel de zuivere geest in een concrete beperking/bepaling gevangen is. Wij spraken erover toen ik het boekje terug bracht. Ik vond het wel een geinig systeem, maar merkte op, dat ik er toch niet helemaal zeker van was dat engelen ook echt bestonden en dat het systeem ook uitgevonden kan zijn. 'Ja, jammer toch hè, zo mooi en het klopt uiteindelijk toch niet.'  Dat had ik ook bij het lezen van Eijk over de eucharistie: prachtig, maar bij mij werkt het al heel lang niet meer en bij heel veel anderen ook niet meer. Moet je dat dan als alleenzaligmakend voor de echte katholiek gaan verklaren. Of betekent katholiek juist die variëteit die er in de wereld nu eenmaal is. Juist ook binnen zo'n corpus spirituale als de Catholica?

donderdag 2 februari 2012

Soera 94 VERLICHTING

94 DE VERLICHTING ─ AS-SJARH

In de naam van God, de Geliefde die liefde wil geven

1.        Hebben Wij jouw borst niet verlicht,
2.        en weggenomen het gewicht
3.        dat zwaar op je rug ligt,
4.        en je naam gemaakt tot goed bericht?
5.        Want bij last komt gemak;
6.        Ja, bij last komt gemak.
7.        Daarom, als vrij mens, sta op,
8.        en geef je Heer zijn lof

Structuur. De 8 regels van soera 94 (buiten de liturgische aanhef) klinken bijna als psalmen-paren. De zinnen zijn alle­maal in parallel-herhaling opge­steld. Als we naar het rijm kijken, blijkt vers 1-4 (eindigende op -aka) een een­heid te zijn: troostende, reto­ri­sche vragen aan de profeet; vers 5-6 is een ietwat komisch gefor­mu­leerde zegs­wijze met een woordspeling op moeilijk en makkelijk (`oesr... joesr) die bij elkaar horen, terwijl de eigenlijke aanmaning en dus kern van de soera in 7-8 is geformuleerd: ook weer in rijm (-ansab ...ardab).

Context. In de standaard islamiti­sche theolo­gie wordt vaak als een verschil tussen Moham­med en Jezus gesteld, dat de boodschap van Jezus werd bekrach­tigd door wonde­ren, maar dat Moham­med geen wonderen heeft gedaan. Bij de Joden hadden die wonderen van Jezus geen effect opgeleverd, dus ze haalden toch niets uit! God zou tot een andere strategie hebben besloten. Het enige wonder dat Mo­hammeds prediking begeleidde, zou het won­der van de Koran zijn.[2] In de bio­gra­fie van Mo­ham­med komen evenwel toch een aantal wonderen voor, vooral in de verhalen over zijn jonge jaren. Het oudste leven van Mohammed heeft al twee versies van een verhaal, dat verbonden is aan het eerste vers van deze soera. Het is het verhaal van het `splijten van de borst en zuivering' van Mo­hammed. Volgens de oudste biogra­fie (Ibn Ishaq) werd Mohammed als baby toe­ver­trouwd aan een bedoeïe­nen­vrouw, Halima, die hem enkele jaren zou zogen. Een eerste wonder was dat haar schapen, ezels en kamelen veel meer melk en energie hadden dan daarvoor. Dan is er het verhaal van het splijten van de bo­rst. Het komt eerst voor in de korte versie van Mohammeds zoogbroer­tje, Halima's eigen zoon. Maar ook in een versie van Mo­hammed zelf:
      Een paar gezellen van de Profeet vroegen hem eens: `Profeet, vertel ons eens iets over uzelf!' `Goed,' zei hij, `ik ben het gebed van mijn vader Abraham en de blijde boodschap van mijn broeder Jezus. Toen mijn moe­der zwanger van mij was zag zij een licht van haar uitgaan zó helder dat zij de burchten van Bosra in Syrië kon zien. Ik heb een voedster gehad bij de stam Sa'd ibn Bakr, en toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was, kwamen er ineens twee mannen in witte kleren aan met een gouden schaal vol sneeuw. Ze pakten mij vast en spleten mijn borst open, haalden mijn hart eruit en spleten ook dat open, ze haalden daar een zwarte bloedklont uit en gooiden die weg; toen wasten ze mijn hart en mijn borst met die sneeuw tot ze hem schoon hadden. Toen zei de een tegen de ander: "Weeg hem af tegen tien man van zijn volk!" Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: "Weeg hem af tegen honderd van zijn volk!" Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: "Weeg hem af tegen dui­zend van zijn volk!" Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: "Genoeg, want voor­ze­ker, ook als ge hem zoudt afwegen tegen heel zijn volk zou hij zwaar­der zijn."'[3]
      In de hadieth-collectie van Boechari komt dit verhaal van de splijting en reini­ging niet voor in de jeugd van de profeet, maar als voorbereiding voor de hemel­reis. Dat was dus in de laatste jaren van zijn optreden in Mek­ka.[4] Ook in het kolossale commen­taar van at-Tabari komt het verhaal niet voor bij 94:1 maar bij 17:1, de passage die verbonden wordt met de hemel­vaart. Deze vroege commen­taren kennen dus de verbinding van de reiniging met 94:1 nog niet. In zijn verta­ling van de passa­ge uit Ibn Ishaq, geeft Guillaume[5] wel een ver­wijzing naar 94:1, maar de tekst van Ibn Ishaq zelf geeft geen rechtstreekse verwijzing naar soera 94:1. Muh. `Abduh gaat ook helemaal aan het jeugdverhaal van Moham­med voorbij en geeft alleen een verklaring van Arabische gezeg­den over ruime en brede borsten: de term kan duiden op trots en hoogmoed, maar in dit geval zeker op vreugde na een benauwenis.

De uitdrukking: Hebben Wij jouw borst niet verlicht komt ook in variaties nog voor in 6:125; 16:106; 20:25 en 39:22, waar het niet eens altijd een positie­ve betekenis heeft en de betekenis kan hebben van `iemand die de moed heeft, de durf om iets te doen' of zelf iets als `opscheppen'. Je kunt het lezen als ‘je borst breed maken, ruimte geven’. In 16:106 is het de mens zelf die `zijn borst verruimt/verlicht met ongeloof'. In 6:125 en 39:22 wordt ge­sproken van God die van de mens `de borst verruimt voor de Overgave (= Is­lam).' Daarom wordt in 94:1 wel gedacht aan Gods genade, die Mohammeds hart heeft geopend voor de overgave of islam aan God.[6]
      Mahmoud Ayoub benadrukt in zijn inleiding, dat soera 94 vaak gezien wordt als een eenheid met soera 93. In de moskee gebruikt men beide samen wel als één lezing. De openingsformule `in de naam van...' vervalt dan. Hij geeft als eerste mening over de inhoud, dat hier gesproken wordt over bemoedi­ging of nieuwe inspiratie die God gaf na een moeilijke periode zonder open­barin­gen. Hij vermeldt pas daarna kort het verhaal van de twee mannen die de jeugdi­ge Mo­hammed hadden opengesneden en zijn hart gereinigd `van een donkerrode bloed­klont, die kwaadaardigheid en jaloersheid betekende en plaatsten daarvoor barm­hartigheid en medeleven. Daar­op sloten zij zijn borst weer zonder dat hij pijn of vermoeidheid voelde. Na hem vrijgelaten te hebben, gaven zij hem op­dracht om barmhartigheid te tonen aan alle mensen, jong en oud.'[7]
      Wat moeten wij doen met dit ver­haal als commentaar op de koran­tekst? In zijn biografie van Moham­med slaat Montgomery Watt de hemelreis helemaal over en geeft hij alleen voor de lezer `tot begrip van de devotie die de moslims heeft voor de persoon van Mohammed' een vertaling van enkele bladzijden van de oudste biografie van Ibn Ishaq, zonder commentaar, waaronder de passage over het openen van Moham­meds borst in zijn jeugdjaren voor.[8]
      Bertram Schrieke (1890-1945), opgeleid als koloniaal ambtenaar en tussen 1916-1940 in Nederlands-Indië werkzaam, onder meer als ambte­naar op een kantoor dat de islamzaken behartigde, publi­ceerde in 1916 een dis­ser­ta­tie over een geschrift uit de Ja­vaanse mys­tiek. In hetzelfde jaar verscheen van zijn hand ook een opmerkelijk arti­kel, waarin hij beweerde, dat het verhaal van het openen van de borst aanvankelijk diende om de initiatie van de begin­nende pro­feet te illus­treren. Dan zou het dus een paral­lel zijn met de roeping van Jesaja (Jesaja 6) of van de doop van Jezus in de Jordaan door Johan­nes. Ook de hemel­reis zou aanvan­kelijk zo'n roepingsver­haal zijn geweest. Vol­gens Schrie­ke zou de legende van de borstreiniging niet teruggaan op een joods of chris­telijk voor­beeld, maar uit de Arabi­sche traditi­onele religie stammen. Hij kan daarvoor geen rechtstreeks voor­beeld aange­ven, maar wel verwijzen naar de zee-Dajaks van Borneo of Brazili­aanse Indianen. Hetzelfde doet Tor Andrae (1960:­36), die een verwij­zing geeft naar Australische aborigi­nals, die zeiden, dat ze in trance door gees­ten werden vastge­grepen, die een berg­kristal in hun hart plaat­sten, waar­door zij helder­ziende geworden waren. Hier­ zijn wij al wel ver verwijderd van de echte tekst van de Koran, maar de voor­beelden worden hier gegeven als antropo­lo­gische benade­ringen van de Koran-tekst en vooral van de tradities daar­omheen.[9]

Vers 1-4 lijkt in formulering wel sterk op 93:6-8, waar God ook vragen stelt, zoals we die kennen uit Job 38-39: Waar waart ge toen Ik de aarde grondde: vertel het, zo ge er iets van weet! Wie heeft haar grootte bepaald? Gij weet het zo goed! Wie heeft het meetsnoer over haar ge­spannen? (Job 38:4-5) Er zijn naast enkele gelijkenissen met de spreken­de God, ook duidelijke verschillen tussen Job en Koran: de vragen hier gaan allemaal recht­streeks naar de betekenis van Gods ingrijpen in het leven van de profeet zelf. Hier is geen verplette­rende maar een be­moedigende aan­wezig­heid van de Eeuwige beschre­ven. Bij vers 2 citeert Neuwirth nog Psalm 81:7a Ik nam de last van je schouder.

Vers 4: Goed bericht. Het Arabisch gebruikt het oord zikr, dat herinnering betekent, ook wel liturgisch, bijvoorbeeld door litaniegebeden te herhalen. Zo gebeurt het nu nog bij de Derwisj-dansen als de omstanders soms de aantallen Godsnamen tellen door een rozenkrans, tasjbieh. Neuwirth citeert hier Psalm 8:5 Wat is de mens, dat Gij hem gedenkt?

Vers 7-8: de aansporing levert nog wat problemen op. Vers 7 lijkt de sfeer van de paradox van 5-6 door te zetten. Letterlijk staat er: als je vrij bent, zet je dan vast. Lezers die met de paradoxen van Jezus vertrouwd zijn zullen dan misschien denken aan uitspraken als Wie zijn leven vindt, zal het verliezen (Mt 10:37) of Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt... neemt mijn juk op... Mijn juk is zacht en mijn last is licht (Mt 11:28-9). Deze parallellen worden hier niet geno­teerd om te suggereren dat er enig recht­streeks verband tussen deze teksten zou zijn. De teksten, uit evangelie en Koran, zijn wel uit eenzelfde soort genre, namelijk Heilige Schrift. Ze komen niet uit theologi­sche reflectie, niet uit een acade­misch debat, maar uit de directe communi­catie over het heilige, zoals die in schrift is vervat. Daar worden eer­der aforismen, raadsel-spreek­woor­den en paradoxen ge­bruikt dan de soepel lopende redenatie van syllo­gismen of histori­sche argumen­ten.
      Vanwege dit raadselkarakter is er ook heel wat gespeculeerd over de eigenlij­ke betekenis van vers 7-8. Quraish Shihab wijdt er maar liefst 8 bladzijden over uit.[10] Vooral vers 7 is omstreden. Hij geeft enkele voorstellen uit de exegetische literatuur: 1. Als iemand vrij is, moet de tijd verder gevuld worden met gebed, totdat vermoeidheid optreedt; 2. als iemand met de strijd, de oorlog, gereed is, moet hij zich verder wijden aan het gebed of 3. als de wereldlijke be­slommerin­gen afge­handeld zijn, moet het rituele gebed, de salaat, verricht worden. Shihab zelf vindt deze nadere bepalingen of inper­kingen van vrijheid en inspanning nogal willekeu­rig. De Koran zelf voert geen nadere precisering aan, daarom zijn wij ook niet gerechtigd die naar wille­keur in te vullen. Voor de twee kernwoorden van vers 7 (vrij zijn - inspannen) gaat hij te rade bij ande­re Koran-plaatsen, waar deze woor­den ook voorkomen. Dan komt hij tot de conclusie dat dit vers begre­pen moet worden als een aanspo­ring tot activiteit, algemene inspanning, in tegen­stelling tot een passief Gods­vertrouwen. Shihab citeert een hadieth van Boechari: Het is veel beter dat iemand een stuk touw neemt, een bundel hout bindt en dat op zijn rug sjouwt om het te verko­pen, zodat God hem laat zweten, dan dat hij gaat bedelen. Dat is dus beter dan bede­len, of hij daar nu iets mee krijgt of niet. De profeet zou hiermee zijn leerlingen hebben aangespoord tot stevig en gewoon werken en hebben afgehou­den van een onverantwoord en lui vertrou­wen op Gods goedheid. Pas als de mens zelf vol­doende inspanningen heeft verricht, kan hij in echte eer­lijkheid en zuiverheid tot een op­recht Godsvertrouwen komen, waar­toe vers 8 oproept. Want, wat de mens ook doet (en hij moet het doen!) hij blijft binnen zijn beperk­te mogelijkheden, en dus toch ook op dat Godsvertrouwen gericht, dat alleen in staat is om hem een gevoel van zekerheid en vertrouwen te geven. `Beide aspecten moeten steeds aan­wezig zijn in het karakter van alle moslims, want hoe sterk de mens ook is, zijn kunnen is steeds be­perkt. Alleen Godsvertrouwen kan hem in staat stellen om de wissel­val­ligheden van het leven, dat af en toe genadeloos is, het hoofd te bieden. Deze soera begint dus met enkele verzen over de genade van gemoeds­rust welke de profeet kreeg en eindi­gt met richtlijnen die het evenwicht schet­sen, waardoor wij deze ook kunnen ver­krijgen. God is waarheid in al zijn gebo­den. En Hij weet het het beste.'[11]

Stijl. Deze tekst is een toespraak van iemand (Wij= God) naar een jij toe, die vanwege de weldaad dankbaar moet zijn. Dus een soortgelijk thema als in soera 93.


[2]Soedewo, De Religie van den Islam, Batavia: Ahmadijah Beweging Indonesia, 1938, 183-188.
[3]Naar Wim Raven, Het Leven van Mohammed, Amsterdam: Meulenhoff, 1980, 34.
[4]In de uitgave van Mukh­sin Khan 5:143.
[5]Guillaume, The Life of Muhammad, 71-72.
[6]Quraish Shihab, Tafsir atas Surat-surat Pendek, 443.
[7]Mahmoud Ayoub, The Awesome News, blz. 104.
[8]Watt, Muhammad at Mecca, 34-38.
[9]B. Schrieke, `Die Himmelsreise Muhammads', Der Islam 6 (1916), 1-30.
[10]Quraish Shihab, Tafsir atas Surat-surat Pendek, 461-468.
[11]Shihab, op. cit., 468. Deze laatste formule dient ook om de beschei­denheid van de commentator te benadrukken, die zijn eigen kennis niet absoluut wil stellen.

maandag 30 januari 2012

Sura 93 Doeha, Morgenstond

Tien jaar geleden schreef ik een commentaar op de Korte Hoofdstukken, 79-114 van de Koran. Nu is er een heel groot nieuw boek over die teksten verschenen van Angelika Neuwirth, De Koran: Band I: Frühmekkanische Suren (Berlin: Verlag der Weltreligionen, 2011). Ik ben begonnen mijn eigen commentaar te herlezen en er wat van het nieuwe aan toe te voegen. Hierbij een serie beschouwingen over soera 93. De afbeelding hieronder past er niet echt bij: Mohammed op zijn hemelreis, glorie dus. Maar toen genas hij juist van een depressie, net zoals volgens sommige verhalen ook deze openbaring hem daaruit haalde. Ik werk er nu ook aan omdat ik volgende week begin aan een HOVO-cursus over juist de langste sura.


MORGENSTOND

In de naam van God, de Geliefde die liefde wil geven.

1. Morgenstond
2. Avond die verstomt

3. Jouw Heer heeft je niet verlaten,
niet weggehoond
4. Je toekomst is mooier dan je afkomst
5. Spoedig schenkt jouw Heer, jij bent beloond.

6. Vond Hij jou niet als wees? Hij werd je voogd
7. Hij vond je zwervend, werd je loods.
8. Vond je arm, maakte je rijk en groots.

9. Een wees dus, maak die niet tot sloof
10. De bedelaar, laat die niet doof
11. De gunsten van jouw Heer, de kern van jouw geloof!

Structuur. Op basis van inhoud en eindrijm kunnen we de soera in vier korte strofen indelen: vers 1-2 is de inleidende eed-formule, als zo vaak bij de afwisseling van dag en nacht. Dan volgen drie strofen van drie regels: vers 3-5 zijn troost en bemoediging, belofte zelfs voor de profeet; vers 6-8 legt de basis daarvoor, een terugblik op de weldaden die God de profeet vroeger heeft geschonken; in vers 9-11 tenslotte, volgt daaruit de praktische conclusie. Dit is niet gericht tot een groep, maar is een persoonlijke boodschap.

Context. De traditie beschouwt de soera als een zeer vroege, de elfde in de openbaringsvolgorde. Hij kwam na een periode van twee jaar stilzwijgen van God, toen Mohammed dus getwijfeld moet hebben of er nog wel openbaringen kwamen. Daarop wijst dan vers 3: Uw Heer heeft u niet verlaten... En waarlijk, wat na komt is beter voor u dan wat voorafgegaan is... Toen Mohammed geboren werd, was zijn vader Abdoellah reeds overleden. Zijn moeder Aminah stierf toen Mohammed zes jaar oud was: ook de verzen 6-8 gaan dus rechtstreeks in op de levensomstandigheden van de profeet, een weeskind dat uiteindelijk in een goede positie is gekomen.  In de nieuwe serie Korancommentaar van Angelika Neuwirth wordt deze tekst als de allereerste gezien. Juist vanwege dit pertsoonlijke karakter.

Mahmoud Ayoub vertelt omslachtig, dat je bij het reciteren van deze soera eerst het takbir-gebed moet zeggen, God is groot: Allahu akbar. Dit uit dankbaarheid voor het feit dat Mohammed na een tijd van stilte weer een openbaring kreeg. Mohammed beval zijn volgelingen daarom dit lofgebed te zeggen bij het reciteren van deze soera. Dat doet mij denken aan een zons-verduistering die ik in juni 1983 in de grote moskee van Yogyakarta (Indonesië) meemaakte. Er was een grote huivering onder de gelovigen én angstigen die daar bijeen waren gekomen, vanwege het bijgeloof, dat de zon opgegeten zou worden bij zo'n verduistering en alleen door gebed en een speciale gave van God weer terug zou keren. Bij de eerste stralen van de nieuwe zon, hief ineens iemand zijn handen omhoog, in het bekende `juichgebaar' dat ook het begin van het gebed betekent en schreeuwde toen van blijdschap Allahu akbar!!

De Noorse geleerde Harris Birkeland publiceerde in 1956 een uitvoerige studie van 137 bladzijden over vijf korte soera's, te beginnen met deze soera 93. De studie kreeg de programmatische titel The Lord Guideth. Zoals veel oriëntalisten benadrukte Birkeland, dat er veel onzekerheid bestaat over de historische Mohammed. In de eerste eeuwen na het begin van de Islam hebben islamitische geschiedschrijvers een beeld van de profeet en van zijn eerste boodschap getekend, dat nu op een aantal punten betwijfeld wordt. Het begint al met de Godsidee. De verkondiging van de Ene God, het monotheïsme, wordt door velen gezien als het belangrijkste punt, de kern van Mohammeds verkondiging. Anderen, ook moderne westerse geleerden, benadrukken nu een God, die vooral schepper en rechter op de dag van het oordeel is. Maar Birkeland kiest op basis van ‘zijn’ vijf soera's voor God die genadevol en liefdevol aanwezig in het leven van Mohammed (en van zijn volk). Dit beeld van God was helemaal onbekend aan het Arabische heidendom, waar Allah eigenlijk een deus otiosus was, een afstandelijke en luie werkeloze of 'vakantie' God die zich nauwelijks met de wereld bemoeide.  Bij dit beeld van Gods leiding aan de stam Koeraisj en eerst vooral aan Mohammed zelf, hoort een idee van groei, ontwikkeling. Dat was te moeilijk voor de latere islamitische theologie, die Mohammed als volmaakt vanaf zijn geboorte beschouwde. Voor deze theologie was Mohammed door God geleid meteen vanaf zijn geboorte en was er geen plaats voor een beslissende ervaring van Gods ingrijpen in zijn leven op rijpere leeftijd. Daarom zou dit idee ook uit de islamitische theologie en zo uit de exegese zijn verdwenen. Maar voor Birkeland was juist dit betrokken zijn bij de concrete geschiedenis de kerngedachte van de religieuze ervaring van Mohammed.

De vijf soera's 93, 94, 108, 105, 106, (in deze volgorde van ontwikkeling) zijn voor Birkeland de kern en horen bij elkaar omdat God in vier van de vijf jouw Heer (rabbuka) wordt genoemd (alleen in 106:3 Heer van dit Huis). In de latere Mekka-tijd wordt vooral de Godsnaam Rahman, de Erbarmer, gebruikt, terwijl Allah uit de laatste Mekkatijd is en vooral in de Medina-periode de belangrijkste naam wordt. Neuwirth legt een iets ander accent: in de latere teksten gaat het meer om de collectieve betekenis, gezamenlijke duiding van de zin van het leven en van de richtlijnen voor een ethisch bestaan. Hier gaat het om een persoonlijk dialoog tussen de profeet en zijn goddelijke gesprekspartner.
    De vijf soera's zijn zeer vroege openbaringen, omdat er nog verwijzingen naar de oude Arabische cultus en de stam Koeraisj in voorkomen. Gods ingrijpen wordt in soera 105 beschreven als een bescherming tegen de aanval van de Abessyniërs; in soera 106 als bescherming tijdens hongersnood en in angst. In de soera's 93, 94 en 108 wordt vooral verwezen naar de arme jeugd van Mohammed. Van die armoede werd hij gered, vooral door een gelukkig huwelijk met Chadiedja. De moeilijke fase van de jonge volwassene zou dicht bij deze soera's geplaatst moeten worden. In de rest van de Koran wordt er niet meer uitdrukkelijk naar verwezen.

Begin: 1-2 
Morgenstond
Avond die verstomt

Dat lijkt op een raadsel en misschien is het zo ook wel bedoeld. In de stijl van stukken het bijbelboek Prediker (Qohelet) of het gedicht van Oosterhuis:
        Van twee woorden wil ik spreken
        krijg van vier maar niet genoeg
        verre liefde, lieve vrede...
Bij ons heeft de morgen iets van een pril begin en de avond wordt dan verbonden met een afsluiting. Bij de Arabieren is het net andersom: de avond is het begin van een nieuw etmaal, de koelte en frisheid van de nacht; terwijl de morgen de hitte van de volle dag en zorgen en moeite betekent. Je mag de betekenis niet dwingend opleggen, maar er zijn argumenten om aan te nemen dat de dynamiek van vers 1-2 iets heeft van een zorgelijk en kommervol moment op weg naar dat van verfrissing en nieuwe start. Mohammed zit in de put en krijgt hier bemoediging en tegelijk een richtlijn voor zijn verdere leven. Hij moet niet alleen aan zichzelf denken, maar vooral aan anderen die net zo goed hulp nodig hebben.
    Soedewo heeft als verklaring bij de titel: `Gelijk de zonneschijn onmiddellijk na zonsopgang niet ten volle glanst, zo zou de waarheid ook slechts van lieverlede in haar vollen luister schitteren.' Ahmadi-moslims geven veel aandacht aan een theolo-gische evolutieleer!
    Neuwirth, die juist de joods-christelijke context van de Koran wil benadrukken, ziet de morgenstond en het vallen van de avond als verwijzingen naar gebedstijden. Zo Psalm 119:55 Zelfs in de nacht denk ik aan uw naam, Heer, en houd ik mij aan de wet. Zij denkt aan de nachtwaken van de monniken, waarbij veel psalmen werden gezongen.
De eerste openbaring volgens de islamitische traditie: Mohammed wil eigenlijk geen profeet worden, wendt zich af, maar overal ziet hij de engel Gabriël in de hemel verschijnen


Vers 3: Over de uitdrukking rabbuka, `jouw Heer', die hier zo uitdrukkelijk voorkomt, schrijft de diepzinnige Josef van Ess, dat de vroegste christelijke teksten Gods woord eigenlijk net zo letterlijk opvatten als de vroege (en ook veel latere) moslims: `De Koran veranderde het zo spreekt de Heer wel in een zo spreekt jouw Heer waarmee hij duidelijk maakte, dat het niet de profeet was die in Gods naam sprak, maar dat God sprak door de profeet. Het Boek werd nu belangrijk, de tekst, niet de gebeurtenis als in het leven van de Christus.'
    Neuwirth citeert hier Psalm 22:25 voor het idee dat God \zich bekommert om de vrome mens: Hij veracht de zwakke niet, verafschuwt niet wie wordt vernedert. Zij beweert niet dat letterlijk uit de psalmen wordt geciteerd, wel dat de gedachten dicht bij elkaar liggen.

Vers 7: Hij vond je zwervend. Er zit in de Soedewo-vertaling een apologetische tendens. Deze Nederlandse vertaling uit 1934, geschreven door een Javaanse Indonesiër, die lid was van de Ahmadiyyah beweging, heeft: Onvermogend om te zien. De Ahma-di's geloven met vele andere moslims, dat Mohammed, die hier wordt toegesproken, niet kan dwalen. Hij kan geen echte fouten of zonden begaan hebben. Bovendien zegt 53:2 toch `uw stad-genoot is niet verdwaald'! Als Mohammed enige tijd onvermogend was om te zien, moet dat een reden buiten hem om hebben gehad. Bijna kwaad schrijft Jacques Berque hierover: `een vals probleem, dat alleen kan opkomen bij een theologie die de woorden te letterlijk neemt'. Inderdaad kan er een Mohammed-theologie ontstaan, die de profeet super-menselijk maakt en hem geen enkele twijfel, vergissing of misslag meer toestaat. Dan vervalt de islam in wat ze aan de christenen juist verwijt: de ver-goddelijking en dus ontmenselijking van Gods gezondene.
Veel uiteenlopende gedachten over een korte, emotionele en krachtige tekst die een indringende ervaring weergeeft van verbondenheid met een zorgzame en liefdevolle God. Zo gaat dat met Koran en Koran-uitleggingen. Persoonlijk vind ik het bijzonder dat hier niet pats-boem een dogma van de ene God wordt neergezet, maar dat het vertrouwen in (de ene) God hier vanuit een persoonlijke ervaring van twijfel en zoeken wordt geschilderd.

zondag 29 januari 2012

Resultaat van de liturgiepolitie: vanwege teveel bidden ontslagen!

Vanaf 2 november 2011 heeft er zich in het bisdom een eigenaardige ontwikkeling voorgedaan: Pastoraal werker Tejo van der Meulen had een dienst geleid met priester Gerard Griffioen. Van der Meulen hield de preek, las het evangelie en sprak gedeeltes van het tafelgebed uit. Allemaal fout volgens verklikkers van de 'liturgiepolitie' die dit overbrieften aan Bisschop Eijk van Utrecht. Griffioen kreeg een berisping en aan het kerkbestuur werd opgedragen om Van der Meulen te ontslaan. Er kwam dus een tweet van de vroegere voorlichter van het aartsbisdom, Jan Willem Wits, (ook al in onmin ontslagen): nu is er iemand vanwege teveel bidden ontslagen! Eijk heeft enkele obsessies. Een ervan is dat de functie van de celibataire priester weer in ere moet worden hersteld. Dan komen er meer gelovigen in de kerk en vooral meer priesterroepingen, schijnt hij te denken, hopen.
Een andere obsessie is dat kerken (zoals Pinksterkerken) groeien als ze een duidelijk eigen profiel hebben. Niet dat vage ietsisme, maar duidelijk traditioneel Rooms-Katholiek en verbonden met Rome. Dit marktdenken is in flagrante tegenspraak met het echte katholieke of veelzijdige zoals dat in de Catholica thuis hoort. Mijn vader hield van pompeuze kerkdiensten, mijn moeder van stil een kaars opsteken in een zijkapel en dan zonder al die ingewikkelde woorden en ceremonies wat mediteren. Iedereen anders, maar dat wil Eijk weg hebben: iedereen luisterend naar de priester die daarna op de juiste wijze sacramenten administreert. Ik was zo boos over deze actie dat ik een brief stuurde naar de nuntius (72 jaar, pas in Den Haag aangesteld). Helpt hem ook niet, maar stilt mijn geweten even. Hieronder dus.






To the Vatican Nuncio
Mgr. André Dupuis
Carnegielaan, 5
2517 KH Den Haag,



                            Utrecht, 28 January 2012

Eminentissime Domine,

This letter is written as an expression of concern about recent developments in the Archdiocese of Utrecht, related to actions taken by Archbishop Wim Eijk, rebuking  the Parish Priest Rev. Gerard Griffioen of St. Johns Parish Maarssen-Abcoude and asking the Parish Council to dismiss the Rev. Tejo van der Meulen, pastoral worker in this parish. Reason for this action is the continuation of a practice since 1980 where the pastoral worker has read the Gospel and held the sermon at Mass of All Souls Day, 2 November 2011.
    I know Rev. Tejo van der Meulen since I moved to the town of Utrecht and to Utrecht University as Professor of Intercultural Theology in 1995. Rev. Van der Meulen was appointed by the Archbishop of Utrecht as part of the team of the ecumenical academic congregation, a vibrant community that keeps the Christian faith alive, also with Sunday services in Janskerk, one of the old churches built by the Bishop of Utrecht in the 11th century. Unfortunately, this ecumenical cooperation was stopped in 2010 by the new Archbishop Wim Eijk who dismissed also the two Catholic pastoral workers. Since then, however, private funds could nominate again one of the two pastoral workers and incidentally a Catholic priest is still leading worship on Sundays. Catholics still are about 50% in this community, that attracts many younger adults in the university town of Utrecht. Rev. Van der Meulen moved to the Catholic parish north of Utrecht.
As a member of the EUG, Ekumenische Utrechtse Gemeente, the Ecumenical Utrecht Congregation, I am astonished to hear about the severe measures taken against our former pastor by the Archbishop. Tejo van der Meulen is a committed believer, good speaker and excellent pastoral councillor. He only continued what has become the practice since three decades. Many changes that are common in the Church, started from below, like receiving Holy Communion on our hands, not in the mouth. We love singing and praying in our own language. We see that some try to curb these changes. Why now such measures for an effort of restauration against a practice that is only one in a long list?
In my academic career I have done research on Islam and I have been teaching at an Islamic University in Indonesia. (You may consult my weblog http:\\relindonesia.blogspot.com\) but since the mid 1990s I also concentrate on the history of Catholics in Indonesia. Two volumes have been published in English, both already translated in Indonesian by the SVD Publishing House. As a retired professor I am now writing the third volume: Catholics in Independent Indonesia, 1945-2010). In this research I meet again and again a progressive policy of the Vatican, especially the Congregatio de Propaganda Fide, as it was called at that time. They warned for cooperation with colonialism, they nominated in 1939 a first native bishop in Indonesia, when many missionaries and other people deemed the time not yet fit. In 1947 Propaganda Fide nominated a Belgian nuncio in Jakarta who made good contacts with nationalists, fighting for an independent Indonesia. Propaganda Fide urged to start inculturation and to show openness for Indonesian culture. I often wish that this policy should be continued to modern culture in the old Christian countries of Europe!
Your Eminence knows that Dutch people are suspicious of all kind of institutions. They are democratic and have not much respect for people who are only insisting on authority without personal charisma. Clericalism has grown in the top of recent Catholicism in the Netherlands. The bishops, seeing a drastic decrease in the number of celibate priests try to heal this by giving special prerogatives to their clergy, in fact only a small section of the Catholic community. At the same time the clergy is under attack for many cases of sexual abuse. Archbishop Eijk has confessed publicly his lack of empathy with the victims. This new action again shows his lack of emotion and personal sympathy. I write to you to express a deep personal concern for this development. The case of Rev. Tejo van der Meulen is just one aspect of this process.
I am also very concerned for the actions of a small band of ultra-conservative ‘ultra-Catholics’ who write letters to bishops, complaining about this and that. The majority mostly keeps silent or leaves the Church. My wife asked me, why I write this letter: you will not be heard, they will not even read your letter. Perhaps this is the case. Nevertheless I feel urged to send you this letter.

With due respect and from a deep anxiety for the well-being of Church and nation in our country,

Yours, Prof. Dr. Karel Steenbrink
cc. Archbishop Mgr. Dr. W. Eijk, Utrecht
 Ik kreeg op 9 February een zeer aardige en correcte van de nuntius, waarin hij zich verontschuldigt dat het ruim een week heeft geduurd voor hij kon antwoorden. Hij verzekert me de brief gelezen te hebben, dat kan ik dus aan mijn vrouw zeggen. Verder wordt de inhoud kort en zakelijk weergegeven: You show quite worried about the developments in the Catholic Church in the Netherlands. Ik kreeg de verzekering dat er naar gekeken wordt maar hij kan me verder niets beloven 'because that does not depend only from me'.

zondag 22 januari 2012

Begraven of cremeren?

De laatste maanden hebben wij verschillende begrafenissen meegmaakt uit de familie- en vriendenkring. Logisch, want ik bedn no 10 van 12 en we leven dus in een ouder wordende groep! Vandaar dat wij zelf ook al praten over ons afscheidsfeestje, want een begrafenis mag een vieren van het afgelopen leven zijn. Wij hebben heel weinig met het idee van de angst voor het eindoordeel, staan voor een wrekende God? Dat hoeft gelukkig niet meer en is ons in katholieke kring minder aangepraat dan bij protestanten.
De eerste was een dubbelop: in een katholieke kerk en daarna nog een een vol uur in een crematorium. In de katholieke liturgie staat niet de individuele gelovige centraal, maar een algemeen geloof in verrijzenis na de dood (en dan nog een tijd wachten tot het einde der tijden). Eigenaardig is wel dat de katholieke liturgie teksten heeft uit de Joodse Bijbel, waar het geloof in een voortbestaan na de dood nog niet echtontwikkeld was. Daarom die eigenaardige tekst: Rust in Vrede (requiescat in pace). Daar zit zelfs nog iets bij van een angst voor zielen van overledenen die de wereld onveilig en onrustig maken. En al heel weinig visie op een eventueel leven na de dood. Maar goed ook, want veel meer dan de zekerheid dat de biologische structuur van het lichaam verdwijnt is er niet. Religies hebben nogal eens dromen tot werkelijkheid verklaard. Na de ontmythisering van het begin van de wereld (Adam en Eva vervangen door de onpersoonlijke oerknal), kan er wel een beperking afgekondigd worden van de geldigheid van de visioenen over een heerlijke wereld in het hiernamaals. Het zou al mooi zijn als religies een heldere boodschap hebben over ethisch en gelukkig leven in het hier en nu!

Bij die eerste begrafenis was er na de vrij onpersoonlijke dienst in de katholieke kerk een zeer emotionele en persoonlijke dienst in het crematorium, met powerpoints, moderne muziek die gedraaid werd en zeer intieme toespraken.

Bij de 2e begrafenis die we meemaakten waren we in de mooie locatie van het crematorium van Schagen, bij een niet echt uitgesproken religieuze figuur. Meer vragen dan antwoorden en al helemaal geen fiducie in de gevestigde religies. Toch werden er naast die vage Keltische muziek, ook enkele kerkliederen en een zegen gezongen, het Zonnelied van Franciscus klonk met de Godslof voor onze zuster de dood van het lichaam.
Dan was er die man van 92, die de laatste 16 jaar bij een gregoriaans koor had gezongen en een half-latijnse uitvaartdienst kreeg met de 15 zangers van zijn koor om hem heen. Naast vrouw en kinderen wel, maar toch erg dominerend. Afijn, wij zijn nu maar eens naar het crematorium van Utrecht gaan kijken, omdat we uiteindelijke wel een persoonlijke afscheidsdienst willen aanbieden aan onze vrienden en familie. Natuurlijk kun je in een kerk als de Janskerk heel wat persoonlijke wensen doen, maar het blijft toch een kerk. Daar is al 800 jaar van alles in gedaan: kanunikken en bisschoppen hebben daar gezongen en gebeden, de reformatie heeft er huis gehouden, het is universiteitsbibliotheek geweest, nu een paar uur in de week weer kerk. Onze eigen kerk, zo voelen we het wel. Maar voor dat laatste moment waarschijnlijk niet.

We waren ook nog begin januari in De Nieuwe Liefde, het nieuwe onderkomen van de Amsterdamse Ecclesia. Parochiehuis, dan bioscoop en een beetje kale zaal, lange pijn, waarbij je echt op tijd moet zijn om in de buurt van het liturgische centrum te zitten en niet achter of boven. De preek was prachtig en inspirerend, het koor mooi en de liederen ook. Dat wel.
I
Ik ben bezig met een dienst waarin Lucas 8: 40-56 centraal staat. Dat is het dubbelverhaal van de genezing/opwekking van Synagoge-bestuurder Jairus en de vrouw die aan bloedingen leed. Het gebeurt onderweg,op straat. Jezus begint zijn optreden na een woestijnvoorbereiding in Lucas 4 in een synagoge, in Nazareth. Dan gaat hij (weer) naar Kafernaum. In 6:6-11 is hij nog een keer in de synagoge, maar het echte werk gebeurt daarbuiten: de grote rede van 6:12-49  is buiten, ergens. De rest moeten we ook allemaal zien als op straat, ergens onderweg.
Doen wij dat ook zo dus maar?


donderdag 19 januari 2012

Gelukkig 2012

Volgers van de Engelse variant van deze blog zullen dit verhaal kennen, maar nu toch ook nog even de Nederlandse versie: een gelukkig 2012 wordt u toegewenst vanaf deze site door Paule Maas en Karel Steenbrink. Wat 2011 betreft volgens we de Indonesische traditie: Mohon maaf lahir batin, we vragen vergiffenis voor alle vergissingen, fouten en onaangename zaken!

Paul Schnabel, directeur  van het Sociaal Cultureel Planbureau gaf een aardige omschrijving van de geestesgesteldheid van de huidige Nederlander: bezorgd over ontwikkelingen in eigen land en wat betreft heel Europa, maar een van de gelukkigste als het gaat over de eigen conditie.
Zo gaat het ook met ons: volgens de officiele statistieken gaan we er financieel stevig op achteruit: 7% de laatste drie jaar. Maar persoonlijk merken we er eigenlijk niets van en kunnen we boeken kopen, op vacantie gaan, goed eten als we een dagje uit gaan wandelen. We maken ons zorgen over die alsmaar doorgaande invloed van Wilders in de Nederlandse politiek en vinden het triest dat er kennelijk nog geen oplossing is voor de Europese crisis, nog geen nieuw elan voor een Europese toekomst. Het leek zo mooi!
Ook de niet aflatende stroom negatieve berichten over de katholieke kerk: sexueel misbruik, domme uitspraken over homosexualiteit door B16 onlangs.
 Dit jaar, 2012, vieren wij afronding van 70 jaar leven en ontwikkelen. We zijn gelukkig nog in goede conditie, maar om ons heen zijn er die overlijden. Alsof dat er steeds meer uit de kring zijn. Levensverwachting is nu tussen 81 voor mannen en 85 voor vrouwen, maar dat betekent dus wel dat we onze laatste tien jaar binnengaan. Raar idee. Voltooid leven, moeten we daaraan 'werken' of een en ander maar over ons laten komen?

De foto's hier laten einde 2011 zien: na reizen naar Albanië (voor een Gülen/Hizmet conferentie), Barcelona, Schotland eerder dat jaar, gingen we in december naar Madeira, echt mediterrane cultuur, steden, prachtige natuur.
 Paule werkte verder aan de kwartaaluitgaven van het family magazine Steenbrink Times en voor contacten met familie en vrienden hoeft ze niet alleen meer te vertrouwen op email, telefoon, er is nu ook een iPad. Karel was blij met de engelse vertaling van de Jezusverzen (in Hyderabad) Jesus Verses in the Qur'an. Hij publiceerde ook een commentaar op het langste hoofdstuk van de Koran in een boekje, samen met Gé Speelman, Een Kleine Koran. Het derde deel van Catholics in Indonesia vordert gestaag± er is nu zo´n 30% van de tekst gereed, 6 van de 15 hoofdstukken. Gelukkig 2012!!