zondag 2 december 2012

Al Fatiha, Soera 1

Soera 2 is de langste van de Koran. Daarna loopt het in lengte terug tot de laatste, 114. Ongeveer tenminste. De eerste soera is het islamitische Onze Vader: Zeven regels die ook beginnen met een lofprijzing en daarna een smeekgebed.


In Gods naam, Erbarmer, Barmhartigheid

Lof aan God, Heer van dit wereldrijk.

Erbarmer,Barmhartigheid
Koning op de dag van het eind der tijd
Jou dienen wij, jou vragen wij, leid
ons op de weg van rechtvaardigheid;
de weg van jouw gunst en beleid,
niet die van jouw haat en nijd,
niet die van verdooldheid.

Dit kleine eerste hoofdstuk van de Koran heeft de functie van het Onze Vader: het wordt vaak gezegd bij formele liturgie en in spontane gebedsdiensten. Moslims kennen dit ook vaak van buiten en zeggen het ook wel in snel tempo op, zoals katholieken hun rozenhoedje bidden.
Het is bijzonder geschikt voor mensen die onderweg zijn, omdat God als een soort Tomtom wordt gevraagd: die ons op de juiste weg kan leiden. Niet teveel omwegen dus, goed op de paaltjes letten bij de wandelingen. Hopelijk ook goed weer, niet te warm en al helemaal geen regen. Vriendelijke mensen onderweg. Ik heb hier een wat vrije vertaling geven, waar het originele rijmschema ook nog bij is. De weg der gerechtigheid is letterlijk de rechte weg, maar dat zit dus ook al in het woord zelf. Het is een thema dat bij de vroege Koranteksten veel voorkomt (zie Birkeland, God guideth): God leidt ons naar een juist richting.


Het Cemhuis in Huizen

In het weekend 10-11 oktober was ik uitgenodigd om over Mohammed en de Koran te spreken in het Cemhuis van de Alevieten in Huizen.
Een van hun leiders, Davut Sever Dede was enkele weken daarvoor in Utrecht over het programma komen spreken. De Alevieten zijn een in de islam gewortelde religieuze stroming in Turkije, verwant aan de sji'itische moslims, de Alawi uit Syrië, de Bektashi's in Albanië, maar met heel duidelijk eigen karakter. Van de vroege geschiedenis van de islam staat niet zozeer Mohammed en de Koran centraal, maar eerder nog de hele 'Heilige Familie' van Mohammed-Fatima-Ali en de twee kleinzonen Hasan en Husein. Zij waren half oktober al in voorbereiding voor de eerste 12 dagen van Muharram als zij vasten ter herinnering aan de moord op Husein (op 10 Muharram in Kerbela). Dat vasten is dan wel weer 12 dagen ter herinnering aan de 12 imams (waarvan Ali de eerste, Hassan de 2e en Husein dus no 3 was).
Haji Bektash was een tijdgenoot van Jalaluddin Rumi (die meer geliefd was bij de kunstenaars en geleerden). Haji Bektash werd de held voor soldaten maar ook voor de boerenbevolking van Centraal Anatolië.


Achterwand van de bovenzaal in Cemhuis te Huizen. Vooral Ali (met zaard en tulband) en Husein (zonder tulband), maar linksboven ook Haji Bektash


In Albanië worden zij als een apart soort religie naast sunnitische moslims gezien. Fethullah Gülen merkt ergens een beetje boosaardig op, dat zij op moeten houden met zich moslims te noemen. Zij mogen van hem wel Cemhuizen oprichten en hun leer verspreiden en beoefenen, maar zij zijn geen (echte) moslims: in ieder geval zouden zij eens wat beter studie van de 'echte' islamitische tradities moeten maken.

De Alevieten zijn anders georganiseerd dan sunnitische moslims: ze hebben geen moskeeën, geen imams die ervoor leren en dan na hun studie kunnen worden aangesteld. Zij hebben een soort erfelijk leiderschap. De dede is de zoon van een dede. Ze hebben huizen van bijeenkomst, Cemhuis (een moskee voor het gezamenlijk vrijdaggebed heet cami, maar ik weet niet of dat in het Turks verband houdt. Jami'a is Arabisch voor vereniging, waar mensen samenzijn, ook voor de vrijdagsmoskee dus.

Het vorig jaar, 2011, geopende Cemhuis in Huizen. Het staat aan de noordkant van de forenzenstad, met bijna-uizicht op het Gooimeer. Naast een ook al eenvoudig gebouwd tehuis voor Denksport, verderop dan de vele sportvelden. Er zijn twee grote zalen: een beneden, één boven. De cursus heb ik in de bovenruimte gegeven.

Een jaar of zes geleden had de overkoepelende verenging HAK-DER al een poging gedaan om een cursus voor Alevitisch leiderschap en geïnteresseerde leken te geven. Dat was toen na een 4-5 keer mislukt. Nu wilde Davut Sezer een nieuwe poging doen: eenmaal per maand op de zaterdag+zondag van 12.00-16.30. Er waren 23 intekeningen, de tweede dag waren we volledig de eerste dag bijna. Het grootste deel van het programma zou gaan over wat het Alevitisme is. Dat zou in het Turks gegeven worden, deels door mensen die daarvoor dan een weekend uit Turkije zouden komen, deels door mensen van hier, eventueel ook wel uit Duitsland.
Ik moest dus de spits afbijten met 2x4 uur over Koran enMohammed. Over Koran heb ik al veel geschreven en onderwijs gegeven. Over de levensloop van Mohammed eigenlijk nog maar heel weinig en ik heb gezocht naar een goede mix van academische twijfel en het sappige verhaal dat in die eminente verhalenverteller Ibn Ishaq te vinden is, via de vertaling van Wim Raven. Montgomery Watt's Muhammad in Mecca /Medina hoorden er ook bij. Ik heb uitvoerig gezocht naar veel illustraties, want daar houden de Alevieten ook wel erg van.

In de pauze in de benedenzaal. Op zondag werd die ook gebruikt om in het Turks voorlichting te geven over de AOW-aanvragen en andere ambtelijke informatie.

Er wordt door Alevieten niet aan alle islamitische voorschriften zwaar getild. Raki drinken ze ook wel eens, maar dat is toch niet in een Cemhuis te krijgen.

 Er was grote belangstelling bij de groep. Er waren zes vrouwen, dus ongeveer een derde. Verschillende stellen. Er was behalve Davut Sever nog een jongere dede. Het kennisverschil tussen de deelnemers was enorm: Davut Sever heeft ook een grote kennis van de Koran en de sira, zowaren er nog twee, terwijl bij velen grote gretigheid naar informatie was. Het was een zeer vermoeiend weekend, met in totaal 8 uur college geven, maar erg leuk om te doen. Alsof we aan beide kanten aan een leuke andere religie aan het snuffelen waren en er de mooie krenten uithaalden.

zaterdag 1 december 2012

Henri Nouwen in de vernauwde blik van Antoine Bodar

Gisteren, zaterdag 1 december 2012, was er alweer de 14e Henri Nouwenviering in de Janskerk van Utrecht. Afgeladen vol, wellicht ook omdat Antoine Bodar de spreker was. Vorig jaar was ik ook bij die lezing (want het Janskoor zingt er Taizé-liederen, een romantische kerst-Mendelssohn en een felle Oosterhuis: Jij die voor alle namen wijkt..). Vorig jaar stond het leven met en werken voor gehandicapten centraal: God ontmoeten in het zwakke, via de Arche-communiteit van Gouda. Dat is een gemeenschap waar de onrustige Henri Nouwen de laatste tien jaar van zijn leven ook woonde (1932-1996, priester van Aartsbisdom Utrecht, psychologie in Nijmegen, werken in Latijns Amerika, dan rust in een kleine semi-monastieke gemeenschap bij Toronto).




Bodar gaf als titel aan zijn lezing: Ontbering van het heilige.  Hij ging stevig te keer tegen de verloedering van de katholieke kerk in Nederland, de term beeldenstorm kwam enkele keren langs. Hij stond stil bij het recente boek van Jos Palm over zijn ouders, die juist in de vernieuwing en 'aanpassing aan de moderne tijd'van de jaren 1960 het spoor bijster raakten en uiteindelijk bij pater Kotte van de naast de Janskerk gelegen Willibrordus uitkwamen, terwijl hun kinderen Marx verheerlijkten en de kerk de rug toekeerden. Rudolf Otto werd geciteerd, Das Heilige over hoe wij het gevoel voor het numineuze verloren.
Als enig recept had Bodar de terugkeer. Niet in de zin van het Eindelijk thuis  van Nouwen, waarin een Godzoeker indringend wordt weergegeven, maar terugkeer naar de kerk, het gebouw en de gemeenschap/organisatie. Even vergat Bodard dat de protestant Jurjen Beumer notabene deze bijeenkomst in een protestante kerk had georganiseerd!
Ook het sociale aspect, de toewending tot een concrete medemens, kwam er bij Bodar niet bij.



Uitvoerig besprak Bodars zijn lezing van het boek van Maarten van den Bos, Verlangen naar vernieuwing. Nederlands katholicisme 1953-2003. Daarin wordt beschreven hoe de Nederlandse bisschoppen al in de jaren 1950 voelden hoe het de verkeerde kant uitging. Ze probeerden het in 1954 nog met repressie, het Mandement met een banvloek op mensen die PVDA gingen stemmen of samenwerking met protestanten wilden. In de jaren 1960 gingen zijn nog wel een andere kant op en gaven zij de verdediging van de verzuiling op, maar er kwam geen echt diep actief geestelijk leven en het was het begin van een grote verwarring. Die proberen ze nu weer met nog sterker repressie te keren: alleen een kerk met een duidelijk (orthodox) profiel zal nog mensen trekken, denken ze nu. Dat werkt dus al evenmin als in 1954.


Henri Nouwen was absoluut niet de tegenstander van de vernieuwing uit de jaren 1960, de kampioen van de oude kerk zoals Bodar die voorstelde. Ook hij was niet thuis in de triomferende grote organisatie van de kerk, maar heeft voor zich zelf en zijn kleine gemeenschap een prachtige niche gevonden met een evangelische spiritualiteit. 39 boeken in 30 talen vertaald en alles ook nog in een 50-meter archief in Toronto. En nog ieder jaar een lezing in een mooie sobere ruimte.

dinsdag 13 november 2012

Een heerlijk dagje Willem Jan Otten

2 november 2012 organiseerde Johan Goud, hoogleraar religie en literatuur bij het religie-departement in Utrecht een feestelijke dag in de aule van de Utrechtse Universiteit over het werk van Willem Jan Otten. Er was een stevige groep mensen gekomen: volle bak in de nogal donkere aula.

Ik was met Paule wat aan de late kant en wij moesten het dus in de morgen met een achterste rij doen. Er was toch wel wat te zien via te TV-schermen. Maar literatuur gaat toch voornamelijk over teksten. Het waren korte lezingen en allemaal stevig van inhoud en aangenaam van vorm.
Johan Goud begon over het thema verbeelding, een soort realis presentia, de kracht om iets wat afwezig is toch present te stellen, het mysterie, het goddelijke.
Zo maar een enkele zin: 'nu God afwezig is en ons niet helpt, moeten wij God helpen.' Dat kwam vaak naar voren op deze dag dat geloven een keuze is, die wij maken, niet zozeer een gave of een noodlot dat ons overkomt.

Theo de Boer las uit de Gerichte Gedichten, die gericht zijn tot een U, veelal tot God.
Specht en Zoon was het enige dat ik voordien van Otten had gelezen. Martien Brinkman wist er overal het Christusmysterie in terug te vinden. Dat vond ik wel knap maar omdat ik niet zo veel heb met de dood van Jezus als een offer, kom ik dat niet zo geweldi9g waarderen.

Peter Nissen viel een beetje uit de toon met een prachtig betoog over bekeerlingen tot het katholicisme, die soms nogal veel aandacht krijgen, ook al zijn er in feite niet zo veel en het huwelijk toch wel de belangrijkste reden voor zo'n  overgang is. De meeste van die toetreders waren al gedoopt en zijn dus in feit her-intreders. Er zijn er ook nogal wat die eigenlijk van confessie veranderen, konfessionswechsel  in goed Duits. Volgens een studie van Paul Luyckx zijn er nogal wat  'vluchtelingen uit de moderniteit naar de Rooms Katholieke Kerk, de ware burcht van de traditie'.  Dan zou het in de trant van Schleiermacher een romantisch verlangen naar het Gesammtkunstwerk  zijn. Vonne van der Meer, de vrouw, bekeerde in 1994 en werd toen in Naarden, Sint Vitus parochie gedoopt. Willem Jan Otten volgde in 1998.
Typisch in de spiritualiteit van Otten is dat hij juist Gods onmacht zoekt, niet het volmaakte dat elders niet te vinden is. 'Een luistersloze man van smarten' dus toch zoiets als wat Martien Brinkman beschreef. Overgave aan de onmacht.

Tijdens de lunch lieten Paule en ik ons fotograferen met de domkerk als achtergrond. Hierrbij dus:

Na de lunchpauze  las Willem Jan Otten zelf voor uit eigen werk en gaf hij commentaar op enkele gedichten. Ronals Klamer verteld over zijn werk als toneelschrijver en hoe de debatten over 'zo'n katholiek stuk' onder de spelers was gegaan.

De dag had als motto: de redenen van het hart (Pascal: le coeur a ses raisons) en ook viel het woord: l'esprit de finesse, mooie gedachte die op een verfijnde manier werden verwoord. Geen politieke religie, geen liturgie, geen voorschriften, maar vrije en mooie geluiden ook een beetje vrijblijvend. Zeer aangenaam. Mooie dag!

Hierboven Johan Goud bij het mooie doek van de Aula aan het Domplein in Utrecht, hieronder Willem Jan Otten bij de borrel.


zaterdag 27 oktober 2012

De heerlijke chaos van een vragende kerk

In mijn jeugd was er een driedeling: strijdende, lijdende en zegevierende kerk. Dat was ook gebonden aan drie lokaties: aarde, vagevuur en hemel.

Koor van de Janskerk vanaf de oostzijde.



Nu is het meer een vragende, zoekende kerk geworden, die wij op zondagmorgen in de Janskerk (en soms elders) meemaken. Om enkele praktische en ook wat bredere opmerkingen over de diensten van de laatste tijd te plaatsen, stuurde ik een mailtje naar wat koorleden: aanleiding was de afwisseling van een enthousiast koor met de enkele persoon van een cantor/animator die op een (te) groot koor de zang moet aanzetten.





Voor de koorvergadering van 2 nov a.s. wil ik als onderwerp inbrengen de koorloze zondagen: met mijn vrouw Paule ben ik daar vaak en eerlijk gezegd, het valt nogal eens tegen. Afgelopen zondag was Jasja als
vervanging bedacht: een heel kleine vrouw, dunne stem, uiteindelijk nog zonder microfoon in dat veel te grote priesterkoor: geen gezicht en niet te horen.
We hebben een jaar of 6-7 geleden een proef gehad met een groepje meezingers. Dat mislukte toen, wellicht ook omdat ze een uur van te voren al moesten gaan inzingen. Nu dacht ik: vanwege het groter aantal koorleden nu en met wat eenvoudiger opzet zou het toch de moeite zijn om het eens opnieuw te proberen. Wie weet komen er betere voorstellen.
Dan nog, ook naar aanleiding van de cyclus van de afgelopen weken en met name afgelopen zondag, een algemener beschouwing. De Leidse nieuw-testamenticus Henk-Jan de Jonge vergeleek de vroegste
christelijke gemeente met een Rotary-club: ze kwamen bijeen om een lezing te horen en daarna aten en dronken ze op een rituele, maar toch echt wel echte manier.
Dat was tegen het zere been van andere liturgie-kenners die vinden dat onze brood-wijn-viering afkomstig is uit de Joodse sabbath-maaltijd, waar Jezus zelf een aangepaste variant van vierde bij het laatste avondmaal: nog kleiner dus dan die 30-50 mensen van de oude Rotary, hooguit 8-20 mensen. Al korte tijd later heeft onze christelijke liturgie zich aangepast aan het Joodse, Egyptische en Grieks-romeinse tempelgebeuren, in grote gebouwen, aparte klasse van priesters, sterk onderscheiden ambten.
Hoe dan ook: wij zitten in een (te) groot tempelgebouw, hoe lyrisch we  ook over het licht en de ruimte kunnen zingen. Dat neigt dus naar plechtigheid, gedoe eromheen. Ik vond de poging om het consistoriegebed
in te voeren een teken daarvan. Ik heb er gelukkig niet veel meer van gemerkt.  Onze huidige procedure geeft wel veel nadruk op sacraliteit  van Bijbeltekst en ook de centrale plaats die deze inneemt. Nu we in de
cyclus Hoop in zes weken door de highlights van de joodse en christelijke geschiedenis lopen, zien we
daar de zwakte van: weinig verrassends vind ik persoonlijk, omdat het niet begint bij de huidige onzekerheid, chaos in politiek en economie. En de meeste Janskerkers zijn eigenlijk wel aardig met de bijbelse teksten en
geschiedenis vertrouwd, die zouden wat steviger mogen hebben. Ik zelf hoorde al het woord pietisme voor de huidige stijl. Zou dat met een Rotary-model, waarbij minder de regligieuze specialisten, maar juist
ook mensen uit andere disciplines het woord nemen niet beter kunnen gaan?

Ja, en dan: bij Adam, Abraham, Jezus nooit ook maar één verwijzing naar islamitische leesgenoot van onze tradities en altijd weer die vrouw van Lot die alsmaar achteruit kijkt naar de Joodse geschiedenis.

 Dit stukje is dus van een kleine opmerking over de cantor in het algemeen (was helemaal niet echt bedoeld voor die ene keer dat Jasja Nottelman optrad, want ze heeft een prachtige stem, maar niet voor deze kerk als je zonder microfoon zingt), uiteindelijk uitgewaaierd naar een algemene beschouwing over de redelijke informele Janskerk-gemeente die in zo'n plechtig gebouw niet goed tot haar recht kan komen, zeker als dat gebouw een te dominante invloed krijgt over de mensen die erin zijn.

Nog even iets in aanvulling over dat Piëtisme: Taizé begint af en toe sterk aanwezig te zijn. Dat is een kalme versie van het evangelikaal geloof, maar wel zonder vragen, zonder een cynisch-lichte toon.
De nieuwe katechismus van eind jaren 1960 gaf een leuk begin: een oude vorst zei dat hij een vogel zag langskomen in een verwarmde paleiszaa: binnenkomend vanuit donker en kou buiten, even in het licht en dan weer naar het donker toe. 'Het mensenleven: wij weten niet wat eraan voorafgegaan is, niet wat erop volgt. Als de nieuwe leer ons daaromtrent enige zekerheid biedt, is zij waard dat wij haar volgen.' (blz. 4). Daar gaat het al lang niet meer over: vanaf Big Bang tot wij-weten-niet-hoe, wij willen vooral wat bezinning hoe we nu rust, inzicht, vrede met ons bestaan kunnen hebben. Vooral vrede.

zondag 21 oktober 2012

Het Suriname van Joop Vernooij

In Nijmegen (klooster-verzamelhuis Catharijnehof, Rosa de Limastraat) hield Dr. Joop Vernooij zijn nieuwste boek ten doop op vrijdag 18 Oktober.

Joop Vernooij werkte van 1969-2001 in het bisdom Paramaribo, was daarna nog een vijftal jaren docent bij de theologische faculteit in Nijmegen voor wereldchristendom.
In 1998 publiceerde hij al een voorganger voor dit boek: De Rooms-katholieke gemeente in Suriname. Handboek van de geschiedenis van de Rooms-Katholieke Kerk in Suriname, in eigen beheer uitgegeven. Dat was een boek van 280 bladzijden. Het grootste verschil tussen dat boek en het nieuwe is de moderne tijd: die kreeg in het oude boek 50 bladzijden, in het nieuwe bijna 70, maar in een veel persoonlijker, uitgewerkter en gedetailleerder stijl. Kennelijk heeft de auteur enige afstand genomen van zijn eigen werkterrein. De stijl van het Nederlands is ook heel wat prettiger geworden. Wij kennen Joop Vernooij al lang, maar natuurlijk vooral door de reis van 15 dagen die wij zelf in 1999 maakten. Daarbij was hij een meer dan fantastische gastheer. Toen had Paule juist het jaar daarvoor gewerkt aan het bijschaven van het Nederlands van dat boek dat in 1998 uitkwam: in Suriname bleek ons hoe de talen daar dooreen lopen, zodat zelfs tijdens een preek Vernooij schijnbaar moeiteloos binnen een zin kon overstappen van Nederlands naar Sranang. De tien jaar Nederland hebben in het nieuwe boek duidelijke sporen achtergelaten.





Hierboven nog even de Surinaamse context van het leven van Vernooij!

Bij eerste lezing van deze kerkgeschiedenis valt meteen op hoe dichtbij de auteur op zijn onderwerp zit, maar er tevens enige afstand van wilde nemen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het thema politiek: Vernooij zelf heeft nooit in het openbaar kritiek op Bouterse willen geven: dat moest de bisschop maar doen, die immers een Surinamer is. Als Van Zichem dat al zou willen doen. Vernooij vond dat hij als Nederlander duidelijk een buitenstaander was. Bovendien als priester de pastoor voor alle katholieken, of die nu de ene of de andere kant kozen. Ook nu deze voorzichtigheid, al komen de aspecten wel her en der ter sprake. Op blz. 156 hekelt hij het dat de katholieke kerk wel extra aandacht had voor de cultuur van de javanen, chinezen en hindoestanen, maar eigenlijk niet voor de creolen, die toch de oudste bevolkingsgroep waren (na de Indianen). Zit hier ook zijn voorzichtigheid met kritiek op Bouterse bij: dat moeten de creolen zelf maar oplossen? Wel wordt uitvoerig vermeld hoe de Oblaat priesterMartien Noordermeer in Augustus het land werd uitgezet vanwege 'actie tegen het militair bewind'. Het is bij een aantal passages aardig om beide versies naast elkaar te lezen. In 1998 staat er bij dat Bisschop Van Zichem in het buitenland was tijdens de uitzetting en zijn latere reactie na terugkeer was 'dat hij niet tegen de hantering van artikel 13 kon inbrengen, maar liet wel een protest horen tegen deze wijze van uitwijzing.' Nu staat er in 2012 uitdrukkelijk bij dat dit protest pas een jaar na de uitwijzing plaats vond. In 1998 wordt het dilemma van de priesters meer expliciet besproken: kritiek geven betekent uitzetting en haalt dus niets uit. Moet je dan maar zwijgen? Leuke aanvullingen van de twee versies.





 Ik heb het boek ook bekeken vanuit het idee: hoe schrijf je een kerkgeschiedenis over een bepaald gebied? Ik ben immers zelf bezig methet derde deel van een geschiedenis van Katholie Indonesië. Allereerst viel mij op de hoofdindeling voor beide oud-koloniën hetzelfde zijn: het eerste deel gaat over de (her)start na de lange periode van verbood voor katholieke publieke en organisatorische aanwezigheid tot 1800. Hedt tweede deel bespreekt de periode 1866-1958. Dit deel begint met de komst van de 'hoge boorden', de Redemptoristenpriesters, snel versterkt met leden van de Fraters van Tilburg, Zusters van Roosendaal, Tilburg en Oudenbosch. Zij maakten er een gebied van dat zeer royaal door de geestelijkheid werd bediend: op blz. 105 staat een mooie foto van zo'n 50 zusters van Roosendaal ca 1920.
Het derde deel bespreekt de periode 1958-nu. (In de editie van 1998 was de breuklijn verdeeld in 1945-75 en de periode daarna). Dat was duidelijk een periode van 'dramatische teruggang van het aantal religieuzen', die zien op een statistiek blz. 132. De procedure en debatten rond de benoeming van de zeer jonge bisschop (36 jaar) Aloysius van Zichem komt uitvoerig aan bod. Heel bijzonder vond ik het 'wapenschild'  van Bisschop van Zichem: niet langer een militaristische schild, maar een rond wapen op een kruis met drie fayalobi (= vurige liefde, symbool-bloem van Suriname). Ook zijn opvolger heeft dit idee overgenomen (141 en 180).  De periode van de ontwikkelingshulp komt ook ter sprake: 'het bleef echter hulp met een Nederlands accent' (169).

Hoop en tegelijk besef van zwakheid van het gedane werk speelt wellicht mee in het gedicht dat de slotbeschouwing afsluit: (Candani, ps van Asha van den Bosch):
toen God verdween
bouwden wij kerken
en begonnen hem op te roepen
uit de muren

te laat kwam hij
de slavernij heeft hij gemist
ook van de immigratie weet hij niets

en weer had hij haast
het bloedbad laat hem koud

Daar  moeten we het even mee doen! Daarom toch nog even een suggestie voor een derde versie van dit verhaal, bij een volledige nieuwe editie, ooit nog eens: een paar regels van Shrinivasi, hier alvast 2 keuzes:

Maar zie ik blijf bij U
wanneer de wolken 
rood aanlopen.
Vergeet dit niet.

Gedenk mij
wanneer de nacht hierna
eenzaam speelt
met de rivier.

(Uit de editie van Geert Koefoed, Een weinig van het andere..,blz. 55. Het volgende blz. 110)

Voor die dit vol
zo vaal, ze wreed frustreerden

In haar ogen
zie ik de Vader
de Zoon en de Heilige Geest.


woensdag 10 oktober 2012

Over de dood heen: de Hoop van Anton Houtepen


Onlangs kwam de grafsteen voor Anton Houtepen gereed: een open steen, mooi zwart marmer met overlangs een opening van bovenaf en in het midden een grote opening met daarin een glas-in-lood kunstwerk met het embleem van de wereldraad van kerken, de Oikoumene, bootje op zee met het kruis als zeil, voor richting en vaart.
De tekst is eenvoudig gebleven: alleen Anton Houtepen,  1 April 1940, 11 December 2010 en dan die krachtige laatste zin van het Te Deum ...  In te Domine speravi, non confundar in aeternum: Op U, Heer, heb ik mijn hoop gesteld. Ik zal in eeuwigheid niet teleurgesteld worden.  Het is ook het begin van Psalm 30 en slot van Psalm 70. De Nieuwe Vertaling zegt: Bij u Heer, schuil ik, maak mij nooit te schande. Het lukte aanvankelijk niet om een foto van de steen te maken waar ik niet zelf op stond, ik sta hier dus over Antons graf gebogen, gebroken waren wij toen. De sneeuw van die begrafenisdag denken wij er vanzelf bij.


Op deze dag kwam ook de eerste collega, meer nog extraverte theoloog, Hans Küng weer in het nieuws. Küng, de oudere, schreef zijn dissertatie over iets anders, de leer van Karl Barth en een hele school Protestanten voor hem, over Rechtfertigung. In 1970  publiceerde hij ook een boek over de Pauselijke Onfeilbaarheid. Hij vindt het onterecht, een fout, een misser, eigenlijk flauwekul en aanmatiging die plechtige afkondiging van onfeilbaarheid, terwijl de Paus altijd al zo vaak fouten had gemaakt, en nu juist al zijn politieke macht was kwijt geraakt in 1870 vanwege vreselijke politieke blunders en het niet volgen van de tijdgeest.
Anton promoveerde in 1973 ook op een dissertatie over de Onfeilbaarheid. Hij is er mild: je moet het juist interpreteren, die onfeilbaarheid stelt niet zoveel voor, is beperkt naar inhoud en vorm. Geldt eigenlijk alleen als de kerk, gelovigen en bisschoppen de richting kwijt zijn en dan kan de Paus praktisch een tijdelijke oplossing geven, die we dan maar beter voorlopig moeten volgen. Ja, zo was Anton, eigenlijk altijd positief over de mogelijkheden voor vernieuwing, bekering en eenheid van zijn geliefde kerk. Hij heeft in zijn dissertatie Küng ook niet stevig aangevallen of gecorrigeerd.

Küng was vandaag keihard: B 16 moet afgezet worden vanwege Poetinisme: als Poetin heeft het hoofd van de geheime dienst in de kerk de macht kunnen grijpen en oefent die op een onverantwoorde manier uit, zonder ook voor de verlangens en interesse van de gelovigen. Die Vaticaankliek, daarbinnen moet hij het hoofd boven water houden, zijn Bertone beschermen en afzien van gezichtsverlies. Zo'n paus moeten we niet, die moeten we bestrijden en zelfs afzetten. Wat zou Anton daar in het openbaar over gezegd hebben? Hij was voor verzoening, ook intern in zijn eigen kerk, hield niet van polarisering en zag daar weinig voordeel in.


We kwamen nog langs het graf van Kardinaal Alfrink en vlak daarbij Pater Kotte, die als spreuk had: ab aeterno requisivi Dominum, Altijd heb ik de Heer gezocht. Je had bij Winand Kotte wel het idee dat hij vast overtuigd was dat hij God al gevonden had, maar ja.

En Anton hier in die grond van de Barbara begraafplaats, wachtend, hopend op een eeuwig feestmaal? Zal dat voor kerk en wereld, voor jou, Eelkje, Wibo, Arjan en al die je nabij waren komen? Die radikale Küng komt ook niet verder dan Weldethos van iedereen aardig voor elkaar, hier dan en daar moeten wij het even mee doen!