vrijdag 13 maart 2015

Een nieuwe Koran uit Maartensdijk



Er zijn al aardig wat vertalingen van de Koran in Nederland. Klassiek is sinds 1956 die van J. H. Kramers. Beetje ouderwets, plechtige taal van de Statenbijbel. Wel met aardig wat voetnoten en verhelderingen. In 1989 kwam het prachtige werk van Fred Leemhuis, zowel de Arabische tekst als een vertaling in modern Nederlands, zelfs ‘alledaags’ genoemd. Dit is een vertaling zonder voetnoten. Om in één boek te passen zijn het wel kleine letters geworden op volle bladzijden. Een groep rond Sofjan Siregar was het op punten niet met deze vertaling eens en produceerde in 1996 de Edele Koran, uitgegeven door ICCN, Islamitisch Cultureel Centrum Nederland, Scheldestraat in Den Haag. Meer islamitische vertalingen waren of kwamen beschikbaar: van de Lahore én de Qadian-takken van de Ahmadiyyah beweging. Naast de ‘Kinderkoran’ van Kader Abdullah (sterk verkorte versie, half navertelling) kwam er een belangrijk werk van de IUR, Islamitische Universiteit Rotterdam in 2013, De Levende Koran onder leiding van Özçan Hıdır, Fatif Okumuş en Moesa Hoek. ICCN en IUR hebben er (als alle serieuze vertalingen van moslimzijde), de Arabische tekst bij staan. Nu is er dus nog een vertaling bijgekomen van Eduard Verhoef, geleerde dominee, die lange tijd de gemeente Maartensdijk bediende. Hij begon vijftien jaar geleden met een doorlopende lezing van Koranverzen in de maand Ramadan. Hij vond geen vertaling helder en modern genoeg en maakte daarom zijn eigen vertalingen. Dit is gegroeid tot deze nieuwe vertaling.
Het boek is zonder voetnoten of andere middelen bij de lezing. De inleiding is ook erg summier gehouden. De tekst is wel prettig groot en ruim gedrukt, terwijl het niet zo dure boek wel een stevig gebonden formaat heeft. Verhoef schrijft in de inleiding wel, dat begeleidende noten onmisbaar zijn ‘voor een geschrift uit een ver verleden’. Maar dat zou hem te veel tijd gekost hebben en het moet hiermee eerst maar gebeuren. Toch staan er wel ‘extra verklaringen’ in de ‘vertaling’. Soera 97,1 is bij Leemhuis: Wij hebben hem neergezonden in de nacht van de beslissing. Dat is bij Verhoef geworden: Zie, Wij hebben de Koran in de nacht van de beslissing doen neerdalen. De mogelijkheid die ooit is voorgesteld om dit te zien als de neerdaling van Jezus als Gods Woord in de kerstnacht, is hier uitgesloten. De Arabische tekst kun je tegenwoordig horen, met weer een andere Nederlandse vertaling op http://www.dekoraan.nl/. Maar in druk is deze nieuwe vertaling duidelijk de prettigste om te lezen. En de verschillen in vertaling: 5:48 leest hier Als God had gewild, had Hij u tot één volk gemaakt. Maar Hij wilde u op de proef stellen met wat Hij u heeft gegeven. Wedijvert in goede werken.
Eduard Verhoef, De Koran. Heiligboek van de Islam, Maartensdijk: Uitgeverij Verhoef, 2015, 319 blz., € 19.90

De Westermoskee: een Turks Drama, gespeeld met Hollandse Rijzangen




Kemal Rijken is de zoon van een Nederlandse moeder en een Turkse, zeer seculiere, ‘Kemalistische’ vader. Hij schreef (na een boek over Sinti en Roma in Nederland) een adembenemende geschiedenis van de hoop, plannen, tegenstand, strijd en vooral schimmige en vaak niet consistente bureaucratie en politiek over de Westermoskee in Amsterdam. Zijn verhaal begint met de komst van Turkse gastarbeiders in de jaren 1960, en daarmee in de jaren 1980 de Milli Görüş (= Vaderlandse gedachte) beweging, eerst in Amersfoort. In Amsterdam is Üzayir Kabaktepe, eigenaar van een reisbureau, actief in het jongerenwerk, eerst via een radiozender, vanaf 1989 ook in een Milli Görüş jongerenbeweging, die probeert een (betere) moskee in hun wijk te krijgen. Het kopen van een kerk mislukt en dan wordt het in 1993 een voormalige garage, een groot terrein met loodsen en kantoren. Er moet bodemsanering komen, bestemmingsplannen moeten veranderen, de stadsdeelraad wil echt niet meewerken en stelt allerlei andere locaties voor. De moskee moet kleiner, er moeten woningen op het terrein bijkomen, waarvoor (van origine katholieke) woningbouwvereniging Het Oosten al dan niet moet meewerken. Er zijn allerlei strubbelingen binnen Milli Görüş zelf, vooral als de tweede belangrijke persoon, Haci Karacaer een functie krijgt als voorlichter van Milli Görüş Amsterdam. Hij spreekt veel over integratie, is bij een herdenking van vervolgde homo’s en zo komt een verschil van mening binnen de vereniging zelf aan het licht. Er is ook een ‘ingreep’ vanuit de leiding van Milli Görüş in Keulen en dan wordt vanaf 2006 Fatih Üçler Dağ de belangrijkste bestuurder. Als Kabaktepe is hij een man die lijkt miljoenen te kunnen toveren, die dan ook ineens kunnen verdwijnen. Een soort Simsalabim spel. De grond van de Riva garage was gekocht, maar daarmee het geld ook op (dat blijkt trouwens heel vaak op en tekort te zijn): de grond wordt aan de gemeente verkocht en zo is er wel geld voor de bouw, maar nog geen vergunning. Het wordt een soap met vele ontwikkelingen: tussen 2010-2012 worden de apartementen uiteindelijk door de woningbouwvereniging gebouwd en dan is er in 2013 een veel goedkoper plan, en toch geld genoeg om de moskee te gaan bouw, die nu aan de buitenzijde gereed is en wellicht einde dit jaar in gebruik zal worden genomen.

Het duizelt je af en toe van de namen en weer nieuwe mensen in het ingewikkelde proces, dat nooit saai wordt en steeds verrassingen heeft. Mag dat wel, dat de gemeente die grond kocht en uitleent? Dat is met kerken vroeger ook wel vaak gebeurd en het meeste recent met voetbalverenigingen die via zulke constructies met hun stadions konden overleven. De imams en wat er in feite aan gebed, troost, bezinning en discussie over de aard van moslims in de Nederlandse maatschappij gebeurt, dat alles komt minder op de voorgrond. Het gaat meer over de juridische en financiële ontwikkelingen en die zijn ingewikkeld genoeg. Het mooiste en meest spirituele portret is wel dat van Jan Beerenhout (239-248) een zoekende tiener nadat zijn vader was overleden en zijn moeder alsmaar zei: ‘Wat heb ik misdaan dat God mij zo gestraft werd.’ Als 14-jarige ging hij naar allerlei kerken, priesters, dominees, naar een rabbijn en hindoetempel, totdat hij in de Moebarak-moskee van de Haagse Ahmadiyya-moslims heldere antwoorden ontving. Hij werd ambtenaar voor religieuze zaken van de gemeente Amsterdam en zo heeft hij een brugfunctie. Beerenhout figureert nauwelijks in de Milli Görüş zelf. Hij staat in een van de zes ‘oneven hoofdstukken’, die vanaf het begin een parallel-boek vormen over de religieuze ontwikkelingen in Nederland en vooral Amsterdam sinds de Beeldenstorm van 1566. De Joodse synagoges van Amsterdam rond 1660, de komst van Hernhutters in de jaren 1730, de emancipatie van verboden stromingen als de katholieken, remonstranten en doopsgezinden (mooi verhaal over de Krijtbergkerk aan de Singel in Amsterdam, rond 1880), bouw van de Vrije Universiteit en de Katholieke Universiteit Nijmegen. Alsof er rond het Griekse drama van de Westermoskee een koor van commentatoren staat, die het allemaal min of meer in de ontwikkelingen van de langere vaderlandse geschiedenis plaatsen. Voor Rijken is het moeizame proces rond de Westermoskee  een gewoon symptoom van het feit dat de emancipatie van joden, katholieken en moslims plaats vindt ‘door middel van hun religie, waarbij de bouw van kerken, scholen, organisaties en verenigingen een middel was om het einddoel te bereiken.’ (292) Al het gedoe, ruzies, de vele rechtszaken die nog steeds doorlopen, ook zelfs tussen de drie belangrijkste Turkse leiders, horen daar nu eenmaal ook bij. Een boek geschreven met een vlotte pen, humor, zonder cynisme, net zo mooi als de Westermoskee zelf moet gaan worden. Nu al een waardig monument! – Kemal Rijken, De Westermoskee en de geschiedenis van de Nederlandse godsdienstvrijheid, Amsterdam: Atlas Contact, 2014, 317 blz. € 24.99

zaterdag 7 maart 2015

Het atheïsme belezen door Wil van den Bercken

Mijn (oud-)collega Wil van den Bercken is historicus en Slavist. Hij doceerde Russische geschiedenis in Utrecht. Vanuit een eerste studie filosofie en theologie (niet afgemaakt) bij de Franciscanen in Venray bleef hij veel belangstelling houden voor religie en zo werd hij ook hoogleraar Oosters Christendom in Nijmegen.
Hij schrijft goed, puntig, geestig en was een geliefd comlumnist toen er nog een gedrukt Utrechts Universiteitsblad was.
In 2003 schreef hij al een venijnig boekje Tegen de religieuze behaaglijkheid over de 'essentie van religie'. Hij heeft twee fantastisch muzikale dochters, maar heeft zelfs niet veel met muziek. Niet met de sonore bassen van de Byzantijns-orthodoxe liturgie (opgeklopt, allemaal te lange liturgie, en dan in die potsierlijke jurken met hun kronen), wel met de oude ikonen, maar verder is religie toch vooral zingeving en ethische stimulans. Hij was ook de editor voor een boek over Tussen Professie en Confessie: Wat geloven theologen? (Budel:Damon, 2008; ik schreef er zelf ook een hoofdstuk voor).
Nu heeft hij zijn mooiste boek in deze trilogie geschreven: Geloven tegen beter weten in.
 Het kleine boek (160 kleine bladzijden, uitgeverij Balans, 2014) benadrukt bijna op iedere bladzijde dat geloven een eigen logica heeft, tegen de rede in of in ieder geval buiten de rede om gaat en ook mag gaan. Het is in de klassieke zin vooral negatieve theologie (die over God schrijft wat God niet is), maar dan over de gelovige zelf. Over God staat er eigenlijk niet veel in absolute uitspraken in, de focus is op de zieleroerselen van de gelovige en daar vooral ook wat er allemaal niet is: geloven is geen rationele conclusie, is geen esthetisch gevoel, is ook geen ethische prikkel of wereldverbetringsinstinct, al helemaal geen folklore of fantasie. Geloof als institutie, middel om macht over geld en andere mensen te hebben is ook fout of minstens niet echte religie.
In hoofdstuk 3 vond ik op een frisse manier toch wel een aantal echos van de traditionele vijf godsbewijzen: gevoel van geschapenheid, ethisch onvolmaaktheidsbesef, verlangen naar ultieme rechtvaardigheid (blz. 48).
Het christendom is her en der bijna vanzelfsprekend als de hoogste vorm van religie aangenomen. Blz. 32 geeft hoog op van de Psalmen 'specifiek Bijbelse genre, verder niet te vinden in de Oudheid', waarbij ik toch wel meteen dacht aan de oud-Egyptische hymnen van Echnaton, die veel gemeen hebben met de Psalmen.
Humanisme en humanisten krijgen er her en der ook van langs: ze willen teveel geloven in de natuurlijke goedheid van de mensen en die is er echt niet: de humanistische paradox.
Als Slavist heeft Wil een lange geschiedenis van kennismaking met atheïstische propaganda en 'wetenschappelijke weerlegging van religie', maar daarnaast ook grote liefde voor de Russische auteurs, met name Dostojevski, waarover zijn laatste grote wetenschappelijke boek ging. Dit wordt helemaal en op een uitbundige manier opgevoerd in het stevige vijfde en laatste hoofdstuk, waarin een grote rij van moderne publikaties worden besproken van modern uitgesproken atheïsten, met Herman Philipse, Richard Dawkins en Stephen Hawking als belangrijkste auteurs. Hij gaat vooral in op hun vaak belachelijk karikaturale beschrijving van geloof. Over Philipse blz. 117: 'Hier staat de filosofische eruditie van Philipse in schril contrast met zijn theologische en exegetische kennis.' Hawking mag een briljant kosmoloog zijn, maar met zijn simplistische opmerking dat 'filosofie dood is' heeft hij ook het complexe filosofische en psychologische vraagstuk van de vrije wil afgeserveerd (143).
Van den Berckens eigen 'geloofsbelijdenis' schrijft vooral wat hij niet gelooft: 'een bewijsbare god zou resulteren in een onvrij geloof. En zo'n geloof is in strijd met zowel de menselijke autonomie als de goddelijke souvereiniteit.' (152. En twee bladzijden verder, dat christelijk geloof een appèl aan de mens is : 'om zijn zelf gecreëerde filosofische comfortzone te verlaten, en de intellectuele en ethische uitdaging van het godsbesef aan te gaan.' Dan toch maar veel zingen misschien? Of iedereen dat op zijn eigen manier laten doen?
Op blz. 113 noemt hij vijf giganten van geloofsdenkers op. Pascal, Kierkegaard, Dostojevski, Bart en Bonhoeffer. Barth sprak over God als de ganz Andere  en Bonhoeffer  over leven etsi deus non daretur/ Dat klopt wel.
Bij Wil thuis hangt boven de eettafel een prachtige moderne afbeelding van Franciscus van Assisi. Gisteren ben ik mijn fototoestel vergeten, dus moet ik daarvan een andere keer een opname maken.
En wat gebeurt er: wil stuurt de foto van de icoon van Margarita Malinovskaya zelf op. Vooral tussen vogels en bloemen!


woensdag 18 februari 2015

De glorie van de Gouden Eeuw

Zaterdag 14 Februari gingen Paule en ik naar het Mauritshuis in Den Haag. Het oude stadspaleis is groots uitgebouwd, met een ondergrondse entree, restaurant, winkel. Als gebouw nu nog mooier dan daarvoor, al is het natuurlijk geen Louvre of Rijksmuseum geworden. Maar tegelijk met de verfraaiing van Den Haag als regeringscentrum zeker de moeite waard. Er stond een aardige rij, dus eerst een 20 minuten wachten, wat het meisje met de oorring hierboven opleverde.

Het was weleven wachten. Niet zo mooi als bij de Sagrada Familia, waar wij indertijd anderhalf uur stonden. Maar temidden van die beschaafde Fransen en Amerikanen en vooral Nederlandse museumkaarters toch wel aardig.
Ik ben aan het denken over eenoude belofte aan Sindhunata, van het tijdschrift Basis uit Yogyakarta, om een artikel te schrijven over de functie van het museum in West-Europese landen. Zelfs een beetje als identiteits-maker voor nationale, culturele identiteit, trots van een land of stad en zijn/haar burgers. Terwijl de kerken verdwijnen of voortgezet worden als museums, moet het ene na het andere museum nog worden opgeknapt en uitgebreid, zoals er vroeger decennia of zelfs eeuwen aan kerken werd gebouwd.
Het Mauritshuis staat voor het verfijnde van de Gouden Eeuw. Niet het bijna-impressionistisch wat meer grove en zelfs klodderachtige van de late Rembrandt. Maar het geciviliseerde. Veel stillevens, veel Grieks mythologie. Weinig bijbels kunst.Het meest curieuze was wel dit Keukenscene met Emmausgangers van Joachim Beuckelaer, rond 1650. Als je niet heel goed kijkt, recht, juist boven het midden, dan mis je de drie mannen, debatterend over wat er in Jeruzalem is gebeurd. Je verwacht niet het eenvoudige breken van het brood, maar een copieuze en zelfs overdadige maaltijd. Om het goed te zien moet je even dubbelklikken om de foto te vergroten.

donderdag 12 februari 2015

Evert van der Molen en zijn berichten over Japanse gevangenkampen

Enkele maanden geleden kregen we van Willem van der Molen het boek dat zijn vader schreef over de oorlogstijd in Indië, Japanse kampen op Java, in Singapore, Thayland en uiteindelijk werk in een kolenmijn in Japan. Het boek van 227 blz. bestaat uit brieven die hij schreef in 1946 naar het thuisfront in Nederland: familie en vooral zijn verloofde (sinds einde jaren 1930). Delen had hij al geschreven in Augustus 1845, meteen na verlossing uit het kamp. De hele leestijd blijft dat in je hoofd hangen: geschreven niet tijdens de barre omstandigheden, maar toen er definitief bevrijding was. Wat stijl betreft noteerde ik: echt een leraar, precies, goed geformuleerd.
Na een moeizame start van de brieven, lezen ze als een zeer feitelijk verhaal, zonder al te veel dramatiek, maar die zit er al helemaal in vanwege de gebeurtenissen zelf. Het eerste hoofdstuk gaat nog over de laat-koloniale tijd. Reizen naar en over Java (Solo, Prambanan, Borbudur, Dieng), een reis met de auto in Sumatra (heen en terug 6000 km. in 1970 tijdens mijn eigen onderzoek kon dat niet!), militaire training. Evert gaat in 1941 studeren bij de letterfaculteit in Batavia. Er staan compacte maar aardige portretten van mensen die ik zelf ook vaak ben tegengekomen: Prins, Bernet Kempers. Pijper die vraagt naar de namen van de Arabische maanden (ik zou ze nog niet kunnen opnoemen! blz. 36). Geen liefde voor islamstudies. Wel voor het Javaans, grote bewondering voor C.C. Berg (39). In het kamp komt de historicus H.J. De Graaf (ook volgens Pak Soedoro een rasverteller) zeer positief naar voren. Trouwens als Evert negatief schrijft laat hij de namen wel weg.
En dan blijkt er ineens oorlog te zijn. Er wordt nauwelijks geschoten, alsof de Nederlandse troepen ineens tegen een overmacht stonden en moedeloosmaar opgaven. Tjjdens de oorlog blijkt er van de voorbereidingen weinig te kloppen,worden er steeds nieuwe verdedigingslinies opgebouwd die ook niet werken. En dan zitten ze in kampen die langzaam, maar heel zeker strenger worden. Dat wordt allemaal droog, feitelijk verteld, maar daardoor juist erg indringend.
Toevallig kwam ik deze week in BKI 1987, 384-5 een recensie tegen van een boek van de militaire inlichtingendienst, Kenpeitai. L.G.M. Jaquet maakt zich daar boos over het feit dat 'het rapport is doortrokken van zelfrechtvaardiging en zelfbeklag' van de Japanners. Hij schrijft: 'Ik weet waarover ik schrijf als ik melding maak van martelingen als de buik vol met water pompen en er dan op gaan dansen, nagels uittrekken of bamboestokjes onder de nagels steken..' Vert van der Molen houdt het allemaal milder: was het om zijn Nederlandse lezers niet te zeer te laten schrikken? Blij dat het allemaal voorbij was en hij de details van verschrikking niet opnieuw wilden oprakelen?
Juist vanwege de heldere stijl en het sobere karakter een fascinerend boek.

zaterdag 7 februari 2015

Het legermuseum in Soesterberg

Op een druilerige dag in Januari 2015 gingen Paule en ik naar het legermuseum. Aanleiding was een juichend recensie over de architectuur van het immense gebouw in De Volkskrant en het is maar een kartiertje rijde.
We waren verbaasd over de immense hoeveelheid mensen. In de eerste maand schijnen er al een 150,000 bezoekers te zijn geweest. Het leger is bij velen populair.
Het terrein was vroeger afgesloten, omdat het een militair vliegveld was. Tijdens de golfoorlogen zagen we vanaf de Uithof de gigantische toestellen al laag vliegen. Kennelijk een tussenstop tussen de VS en Irak. Nu is het een compromisgebied: half een natuurgebied (dat we nog moeten gaan verkennen, groot project voor een natuurorganisatie als Staasbosbeheer of zoiets) en dus het museum.
De zijkanten zijn open, onder de Ka'aba-achtige donkere  middenschacht zijn de liften en ook de dichte expositieruimtes. Eerst maar even een impressie van de open zijkanten:niet zomaar een oude fabrieksloods, maar een moderne zeer grote en lichte ruimte, zelfs op zo'n donkere dag.

Er is ook een V2 te zien, de grote raketbom uit de Tweede Wereldoorlog.
Daarnaast is er een gesloten afdeling, grote kamers met veel videobeelden, interactieve panelen en opstellingen met oud materiaal: vooral zwaarden, ook pakken met insigned.
In de teksten wordt veel aandacht gegeven aan het geweldmonopolie dat aan de staten toekomst. Ook is er veel geschiedenis: de oude uit de Middeleeuwen (geschiedenis van fortificaties, wapens, heel veel militaire costuums, imponeermode, met voorschriften over de insignes) en de huurlingenlegers van de 17e tot de 19e eeuw. Veel aandacht ook voor de koloniale legermacht. Ook Westerling wordt redelijk zakelijk besproken. Hij is nooit veroordeeld. Na zijn Indische avonturen en grwuelijkheden was hij nog een tijdje operazanger! Hij wordt niet al te hard aangepakt. Hieronder wat bibberig de tekst:
Daar moeten we het mee doen: 'Hij trad meedogenloos op en liet zonder vorm van proces vele executies uitvoeren. Hij is een omstreden figuur'. Hij 'werd op handen gedragen door zijn mannen' dat is een heel slappe diplomatieke versie van een niet-oordeel.
We moeten nog een keer terug om te kijken hoe er ook een betje pacificsme in dit mooie gebouw kan zijn.

zondag 1 februari 2015

Moeilijke parabels

De Janskerk in Utrecht is bezig met een project van parabels. Op 1 februari hadden we Matteüs 22:1-14 ov er een bruiloftfeest waar de gasten het lieten afweten. De gastheer, een koning, stuurt de ambtenaren en politie om mensen binnen te halen. Groot feest met veel mensen dus. Blijkt ewr toch iemand te zijn die niet netjes gekleed is en die krijgt het stevig te horen. WEordt buiten gegooid 'in de duisternis. Daar geween zijn en tandengeknars.'
Daar had de predikant het wel moeilijk mee: waarom wel dat ene schaap liefdevol gezocht of die ene verloren munt? Waarom wel de verloren zoon geaccepteerd, maar niet deze man op het bruiloftsmaal?
De nadruk kwam nu wel te liggen op geroepen zijn en we zongen een prachtige versei van dat lied:
Gij die ons in het leven hebt geroepen
Gij die mijn ogen hebt geopend voor uw licht
uw woord heeft ons nieuw leven toegezegd
Dan denk ik al gauw aan ons laatste kleinkind, nog zo pril en hulpeloos.

Ik heb nog eens in mijn oude Nieuwe Testament gekeken en daar stonden stevige notities naar aanleiding van de vroegere colleges Bijbeluitleg. Het verhaal is door Matteùs aan zijn omstandigheden aangepast. Vers 7 gaat over de koning die boos is op de mensen die niet komen. Hun stad wordt in brand gestoken. Beetje bizar hier en in de marge staat dan ook (uit ca 1965!'):  "Onlogisch! Verwsoesting van Jerusalem is hier tussengevoegd."
Tussen 10 en 11 staat als notitie: 11-14 hier begint een tweede parabel. De eerste is dus gewoon dat andere gasten de stoelen mogen vullen.
Ook vers 14 als conclusie: Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren krijgt als notitie mee: dat het een toevoeging is.
Wij hoeven niet alleen aan moslims toe te geven dat wij niet de originele Jezusteksten hebben, maar aan de tijd en persoon aangepaste. Wij moeten ook zeggen, dat de bijbeltekst zoals die er nu is, voor ons geen absolute norm hoeft te zijn. Matteüs hield van allegoriseren, zei Joop Smit. Daar zien we hier een mooi voorbeeld van, maar wij moeten zijn draaiingen niet meemaken, moeten er zelf weer opnieuw een mooi verhaal van maken.

Buiten de kerk stonden de buitengeslotenen, de daklozen. Koffie te bedelen en de daklozenkrant te verkopen. Dat gaat ook gewoon door.


'S avonds kregen we nog een parabel bij de maandelijkse Bachcantate in de Geertekerk.  Het was die van Matteüs 20:1-15 over de werkers in de wijngaard (16: "laatsten zullen eersten zijn zijn" laat ik ook hier weg, als toevoegsel voor rekening van Matteüs zelf). We hadden bij de solistencantate een fantastische sopraan, Titia van Heijst. Goede inleiding van de jonge Jaap Jan Steensma. Alles is genade, is gave en het is al mooi als ik te eten heb en hoop op een mooi einde en vooral Sicherheit, Machst du's mit meinem Ende gut... Zo ging dat in de tijd van Bach. Es ist genug vor mich, dass ch nicht hungrig darf ze Bette gehn...
De afbeelding hierboven is van de Japanner Sadao Watanabe.
Nog enkele notities na afloop van de serie: bij de parabel van de vijf wijze en vijf dwaze meisjes trokken wij ons het lot aan van de vijf dwaze: zij mkomen er erg bekaaid van af, worden buitengesloten. Marieke Milder gaf er toch een mooie draai aan: waakzaam zijn is het grote thema. Niet voor je eigen bestwil, maar juist (als bij de Mensenzoon parabel: wanneer zag ik je naakt?) voor de ander. Wij fietsten naar huis en zagen het motto van de politie: waakzaam en dienstbaar. Mooie idealen!
Voor de parabel van de talenten, waar die asrme ploeteraar met maar één talent niets krijgt, is er de moderne term: Mattheus-effect voor wetenschappers (en anderen) die omdat ze beroemd zijn nog beroemder worden, omdat ze vroeger veel subsidie kregen in de prijzen blijven vallen. Moet het zo? De parabel roept eerder op tot een kritisch denken over deze vraag dan dat het een antwoord geeft.